“The essence of language is friendship and hospitality.”
Emmanuel Levinas

“In België haal ik altijd scherp uit naar de Vlaamse taalzelfgenoegzaamheid. Ik vecht tegen het Verkavelingsvlaams, tegen de smerige on-taal van onze politici, tegen de giftige woordenpap die de ambtenaren van de Vlaamse Gemeenschap ons oplepelen, tegen het onwelriekende taalbraaksel dat de kabinetsleden van Vlaamse ministers uitbraken.”
Geert van Istendael, Alle uitbarstingen (2001: 155)

“Wij Vlamingen koesteren ons met overgave in de bedompte warmte van ons Vloms. Vloms bestaat natuurlijk niet, maar we doen maar wat graag alsof. [...] [D]at driekwart van ons gezellige debielentaaltje Belgisch is, dus half verteerd en krom vertaald Frans en geen dialect, dat proberen we hardnekkig te vergeten. Het is van ons, het is toch zo vertrouwd en, enorm, voordeel, we hoeven niet de geringste inspanning te leveren voor onze taal. Die hebben we toch al geleverd of kennen jullie onze taalstrijd niet? Nee, we kunnen lekker lui op onze Vlomse kont blijven zitten en de sappige Vlomse vruchten proeven, al zijn die dan ook voos. Ons smakken klinkt verrukt maar onze kaken plakken.”
Geert van Istendael, Alle uitbarstingen (2001: 159)

“Sommige stemmen zijn niet geschikt voor achter een microfoon. Je kunt als eenbenige ook niet bij Club Brugge gaan spelen.”
“Politici worden enorm betaald om onze moedertaal kapot te helpen”
“De nieuwsdienst is een tehuis voor taalgebrekkigen. Ik denk dat nieuwslezers moeten kunnen lispelen om aangenomen te worden.”
Johan Taeldeman (tijdens zijn colleges, 2004)

“Om waarachtig te schrijven, schrijf ik zoals ik gebekt ben. Ik ga steigeren als een corrector van een Nederlandse uitgeverij mij probeert te verbieden om het over een tas koffie te hebben. Van de zes miljoen Vlamingen zal alleen een bescheten half percent het over een kopje koffie hebben. Wie eigent zich dan het recht toe om te beweren dat een tas een kopje moet zijn? Voor ‘Godverdomse dagen…’ heb ik dan ook een Vlaamse professionele meelezer geëist – daardoor weet ik nu dat er eigenlijk geen verschil is (lachje). Ik word baldadig als die Nederlanders me beknotten in mijn vrijheid van schrijven: dan ben ik zelfs geneigd om het over een sportkabas te hebben in plaats van over een sporttas - van sporttas willen die Hollanders eigenlijk ‘weekendtas’ maken.”
Dimitri Verhulst (Humo, 24 augustus 2010)

“Zoals men dat van een maniërist kan verwachten, schrijft [Patrick] Conrad een Nederlands dat aanlegt op ‘de meest uitgezochte delicaatheid’. In de praktijk doet dat Nederlands echter vaak onbeholpen aan, en is het bovendien op een tegenwoordig nog zelden geziene wijze Gallisch angehaucht. Solliciteren is bij hem ‘postuleren’, een probleem rijst niet, maar ‘stelt zich’, de wijzers van een horloge ‘duiden’ het uur aan, een auto raakt niet van de weg maar van de ‘baan’, mensen merken niet iets op, maar ‘doen’ iets ‘opmerken’ (faire remarquer), er is sprake van een stoel ‘op dewelke’ Conrad Claus’ naam had laten zetten, Claus was niet jarig, maar ‘verjaarde’, hij vertrok niet opnieuw maar ‘terug’ naar Italië, Conrad kreeg niet zo’n maar ‘zulke’ prop in de keel, omgekeerd zijn het niet zulke maar ‘zo’n’ etentjes, de bundel Zeezucht ontstond niet uit een samenwerking maar uit een ‘collaboratie’ met Jan Vanriet, de relatie van Claus en Veerle de Wit werd gekenmerkt door een grote ‘medeplichtigheid’ (complicité), enzovoorts. […] In eerste instantie was ik geneigd om aan het eind van deze bespreking een steen te werpen naar uitgever Meulenhoff/Manteau, omdat die Conrad tegen zichzelf – en vooral tegen zijn gebrekkige beheersing van het Nederlands – in bescherming had moeten nemen. Bij nader toezien slik ik dat verwijt in: dit moeizame, ouderwetse, gallicistische Nederlands is […] onlosmakelijk verbonden met de schrijver Conrad – met zijn literaire opvattingen en met de Vlaamse context waarin hij schrijver is geworden. Het heeft bijgevolg een niet te miskennen documentaire waarde. Behalve als een boek met herinneringen aan Claus laat Getande raadsels zich daarmee ook lezen als de zombieachtige terugkeer van een Vlaams literair verleden, dat aan dit begin van de eenentwintigste eeuw nog even spoken komt, zijn laatste inscripties maakt in de symbolische orde, en daarna ongetwijfeld voorgoed te ruste zal worden gelegd.”
Erik Spinoy (De Reactor, 13 november 2009)

“Ondertussen blijft taal een machtig wapen in de klassenstrijd, maar de vraag is hoelang dit nog zal duren. Op de universiteit wordt steeds meer dialect gesproken en we hebben zelfs in de letteren studenten die geen Algemeen Nederlands meer kunnen spreken omdat ze ook op de lagere en de middelbare school aan Beschaafd Antwerps genoeg hadden. Vorig jaar had ik twee studenten die hun mondeling examen in het Antwerps aflegden en die onafhankelijk van elkaar het excuus gaven dat ze zich jammer genoeg voor de middagdut niet genoeg konden concentreren om ook nog eens op hun taal te letten. En toen een collega (niet in de letteren, dit keer) een student tijdens een mondeling examen vroeg om verder toch maar Nederlands te spreken was het oprecht verbaasde antwoord: ‘En wa sprejkekik dan? Chinees, of wa?’ Die jongen zal het ver brengen. In Groot-Antwerpen.”
Geert Lernout (LetterenLaser, 25 januari 2010)

“De drie rampzaligste jaartallen in de Vlaamse geschiedenis zijn 1585, de Val van Antwerpen, 1830, het verjagen der Hollanders, en 1989, de stichting van de Vlaamse Televisiemaatschappij. Geert van Istendael zei dit onlangs en die heeft altijd gelijk. VTM is de doodsteek voor het beschaafde Nederlands; die louter op winstbejag gestoelde onderneming heeft de Vlaamse volksmens van ieder contact met het noorden beroofd, hem opgesloten in zijn parochiale benepenheid en hem gestijfd in de gedachte dat wat hij zelf spreekt ook in de grote wereld een geschikte vorm van communicatie is. Die gewetenloze schoften van VTM hebben de Vlaamse emancipatie gesmoord in een drab van domheid en wantaal, waar ik aan toe moet voegen dat tegenwoordig ook een deel van de VRT zijn uiterste best doet om het volk zo achterlijk mogelijk te houden.”
Benno Barnard (Knack, 15 oktober 2008)

“[Hoe zou u het imago van uw eigen taalgemeenschap verbeteren?] Door beter Nederlands te praten met Franstaligen (die het vaak frustrerend vinden: spreken ze zelf hun beste Nederlands, begrijpen ze niets van dat Vlaamse dialect van hun gesprekspartner).”
Geert Buelens in De Standaard (30 mei 2010)

“Eigen aan Vlamingen – van debuterende sportjournalisten tot ronkende (vooral na de zondagse roastbiefmaaltijd) literaire namen – is een Belgisch taalgebruik dat de buitenwacht matig charmeert. (Ook al liegen de Nederlanders het tegendeel.) Ik hoorde Walter van den Broeck vorig jaar in zijn radio-dagboek een eerlijke verbijstering uitspreken over de ingreep van zijn revisor die de uitdrukking ‘Een ander paar mouwen’ als zijnde Frans (Une autre paire de manches) uit des meesters manuscript had verwijderd. Van den Broeck was jarenlang leraar Nederlands; wélk Nederlands, is de vraag die na zijn ontwapenende radiobekentenis openlijk mag worden gesteld. Die ‘paar mouwen’ staat model voor de Tussentaal die in het noorden van België gecultiveerd wordt. En een besmet idioom vreet àlles aan, ook de mooiste materie. Ver weg ligt de tijd dat Jeroen Brouwers kon klaroenen in Olenaar Van den Broeck een opvolger van Louis Paul Boon te herkennen; van Het gevallen baken schrijft een recensent van de Nederlandse kwaliteitskrant NRC – naam van de criticus kwijt, excuus – dat hij er niemandal van snapt. Vlaamse literatuur blijft in hoofdzaak een hooiberg waar de ingeënte lezer zich met een mini-riek doorheen werkt. Zie de eerbied voor Maurice Gilliams, die na zijn opgegraven roman Gregoria, of een huwelijk op Elseneur door Jan Lampo (Standaard der Letteren, maand januari) en consorten als een Vlaamse Proust herdacht wordt, terwijl dat bewieroken – de schadelijkste vorm van roken – gepaard gaat met een losweg toegeven dat Gilliams koeterwaals schrijft. Vanwaar de parallel met een Proust die onsterfelijkheid puurde uit de glanzende perfectie van zijn taal? Waarom wil men in Vlaanderen altijd de boer bedriegen, de lezer vernachelen?”
Johan Anthierens (De Brakke Hond 1992 (9): p. 58-61)

“Dialecten zijn, in tegenstelling tot de tussentaal, authentiek en verdienen behouden te worden. Maar dialect gebruiken moet een keuze zijn, geen onmacht om Nederlands te spreken.”
Mia Doornaert in De Standaard (9 november 2009).

“Het ‘u’ en ”jij’ laten toe afstand te scheppen waar nodig, bijvoorbeeld tussen een journalist en de geïnterviewde, of omgekeerd een signaal van vriendschap of intimiteit te geven door in een relatie van het ‘u’ naar het ‘je’ over te gaan. Het onvermogen die vormen uit elkaar te houden maakt deel uit van een algemene taalverloedering. Volgens lieden die denken progressief te zijn, heeft dat allemaal geen belang, ‘als de boodschap maar overkomt.’ Dat is een bijzonder reducerende visie op taal en communicatie. Een boodschap komt heel verschillend over naargelang de wijze waarop ze ingekleed wordt. Allusie, ironie, poëzie of humor uitvlakken komt neer op een enorme verarming.”
Mia Doornaert in De Standaard (9 november 2009).

“En een paar lessen dictie zouden ook mogen.”
Yves Desmet in De Morgen (15 juli 2009) over Vlaams minister van Cultuur Joke Schauvlieghe.

“Als erfgoed is het dialect drager van authenticiteit en geschiedenis, waaraan ook de nostalgie zich kan vasthaken. Zijn rijkdom zit minder in zijn bruikbaarheid als omgangstaal dan in zijn beeldende kracht, zijn metaforen en zegswijzen, die getuigen van levenservaring, wijsheid, zin voor relativering, humor en menselijkheid. Volgens filologen scherpt het dialect, in combinatie met de standaardtaal, ook de taalgevoeligheid aan. De spanning tussen beide talen leert mensen met variaties omgaan. Wie beide beheerst, is gevoeliger voor taalregisters en heeft een scherper besef van de gebruiksmogelijkheden van de taal. […] [T]ussentaal is breed verspreid, maar bestaat in tal van varianten omdat de dialecten er een grote invloed op uitoefenen. Vooral de Brabantse as Antwerpen-Mechelen-Leuven weegt zwaar door, doordat deze variant de norm zet in het taalgebruik van populaire media als VTM, dat zich weinig gelegen laat aan correct taalgebruik. […] De regionale invloeden weerspiegelen niet zozeer een positieve waardering van het dialect, wel de slordigheid en het onvermogen in het taalgebruik. Amper iemand vindt het nog van belang dat er een verschil bestaat tussen als en wanneer, tussen een tas en een kop, tussen een vest, een jas en een overjas of tussen noemen en heten.”
Marc Reynebeau (De Standaard, 10 juni 2006)

“Ik vraag me trouwens af of er nog wel genoeg acteurs zijn om een serie als Thuis in het Standaardnederlands te brengen. Vroeger kon je niet aan de Studio Herman Teirlinck beginnen als je niet in staat was om een tekst in het Algemeen Nederlands op een natuurlijke manier te brengen. Intussen hebben ze die proef geschrapt, anders studeert niemand meer af. Maar er zijn nog tekens aan de wand. In de jaren zestig en zeventig deden onze Vlaamse chansonniers hun best. Artiesten als Zjef Vanuytsel, Jan De Wilde en Hugo Raspoet verzorgden hun taal, aan Wim De Craene kon je niet horen dat hij uit Aalst kwam. Nu heb je een fenomeen als Fixkes, dat in een nepdialect triomfen oogst. Want vergis je niet, die gasten zingen geen echt Stabroeks, dat is Verkavelingsstabroeks!”
Johan Taeldeman (De Morgen, 20 oktober 2007)

“Ik vind dat Nederlands van mij nogal meevallen. Het zal je misschien verbazen, maar op school haalde ik voor dictie altijd goede punten. Goed, ik ben misschien geen modelspreker en niet alles wat ik zeg klinkt even academisch, maar ik wil ook niet academisch klinken. […] Wat is er mis met ge en gij? Ik vind je en jij afstandelijk klinken. Wel, ik ben geen afstandelijke mens. Ach, die kritiek op mijn taalgebruik. Ik ben dat gewoon, als politicus ben je toch altijd de kop van Jut. Terwijl ik een hevige voorstander ben van een verzorgde taal.  Je moest eens weten hoeveel moeite ik doe om mijn kinderen daar warm voor te maken. Tussen haakjes: zo erg is het ook niet gesteld met de taal in Vlaanderen. We spreken veel beter Nederlands dan de Nederlanders.”
Bert Anciaux (De Morgen, 20 oktober 2007)

“En zo draaien we verder rond de kerktoren en plooit Vlaanderen terug op zichzelf. We voelen ons goed in ons ‘tussentaaltje’. We maaien ons gemillimeterd gazonnetje nog eens en zetten de auto in de was op de oprit. In ’t Vloms. In ’t verdomde Vloms. Na de verloedering van onze kennis van het Frans zijn er nu ook nog eens 16 miljoen Nederlanders waarmee we niet meer kunnen praten. Het gaat hier nu echt wel stinken naar provincialisme.”
Kurt van Eeghem (Cobra.be, 10 februari 2010)

“Hoe zelfstandiger Vlaanderen geworden is, hoe meer onze taal verloederde, ook op de openbare omroep; hoe boerser de meeste van onze politici en politicae gekleed gingen; hoe groter het wantrouwen werd tegen elegantie en wellevendheid die als ‘elitair’ gingen gebrandmerkt worden. Nog een ‘inspanning’ en we spreken hier zelfs geen Nederlands meer, en dan valt ons ‘Vloms’ ook uit de korf van erkende EU-talen.”
Mia Doornaert (De Standaard, ‘Arm Vlaanderen’, 30 november 2007)

“Dit ‘Nieuwe Vlaamse Erfgoed’ kenmerkt zich door een herwaardering van populaire cultuurvormen die eerder door de klassieke Vlaamse Beweging werden uitgespuwd. Strips zoals Jommeke en televisieprogramma’s zoals die van Piet Huysentruyt die het Algemeen Nederlands amper machtig is, worden nu gevaloriseerd als ‘oer-Vlaams’ ‘typisch Vlaams’ of ‘uit de Vlaamse klei getrokken’. Tussenvormen van het Nederlands maken opgang, Vlaamse dialecten worden geherwaardeerd [...]“
Karel Arnout e.a. (Een leeuw in een kooi, 2009: 17)

“De VRT wil de norm voor de Belgische variant van de standaardtaal zijn en blijven. […] Onze kijkers en luisteraars – en de Vlamingen in het algemeen – hechten aan het Nederlands van de openbare omroep traditioneel een grote normatieve waarde. […] De VRT verbindt zich ertoe die norm te blijven aanbieden”
Ruud Hendrickx, VRT-Taaladviseur (Stijlboek VRT 2003, p. 281-282)

“Kiezen voor een eigen norm houdt in dat de omroep vaak zelf zal moeten beslissen wel en wat niet tot de standaardtaal behoort. In Vlaanderen wordt de standaardtaal immers niet of nauwelijks gedragen door een “spraakmakende gemeente”. In onze buurlanden wordt die mede gevormd door politici, academici en topmensen uit het bedrijfsleven, maar in Vlaanderen kan hun taal niet altijd een voorbeeld worden genoemd”
Ruud Hendrickx, VRT-Taaladviseur (Stijlboek VRT 2003, p. 287)

“De taal van een omroep stuurt nauwelijks het dagelijkse taalgebruik. Het dagelijkse  maatschappelijke leven en het daarbij behorende taalgebruik beïnvloeden de omroeptaal sterk. Een omroep is geen eiland, maar staat midden in de (taal)gemeenschap en volgt de taalontwikkeling.”
Ruud Hendrickx, VRT-Taaladviseur (Waar gaat het Nederlands naartoe?, 2003).

“De VRT legt de Vlamingen niets op. […] De VRT propageert niets.”
Ruud Hendrickx, VRT-Taaladviseur (Over Taal, 2002, p.58-59)

“Ik ben ervan overtuigd dat de publieke omroep z’n taal moet verzorgen. Dat staat in ons Charter. Daar staat: wij spreken Algemeen Nederlands, vanuit een opvoedkundige  taak.”
Ruud Hendrickx, VRT-Taaladviseur (Volt, 28 oktober 2009).

“[Vandaag dwepen] ook vertegenwoordigers van de elite met het dialect, een fenomeen dat nog wordt versterkt door de pandemische, uit frustratie en luiheid voortvloeiende afkeer van Nederland, die mij meer dan wat ook in dit land met droefheid vervult. Weliswaar moet dat dialect als Lazarus uit de dood herrijzen, maar het is volkseigen, nietwaar, het borrelt in de darmen van de Vlaming, het is zijn boer, zijn scheet, zijn lichaamseigen akoestiek. En zo komt het dat mensen links en rechts dialectlessen volgen. Daar zou ik niets op tegen hebben, gesteld dat iedereen goed Nederlands kende, maar op dit punt in de geschiedenis is het een rampzalige ontwikkeling.”
Benno Barnard (Knack-blog, 15 oktober 2008).

“De tussentaal sijpelt overal door, behalve in nieuws en duiding, maar dat zou er nog aan ontbreken. Ik wil niet klinken als Balkenende of Leterme, maar het heeft met normen en waarden te maken. Taal is de spiegel van de maatschappij. Als de zeden verwilderen, verloedert ook de taal. Ik kan alleen maar hopen dat de roep om het herstel van waarden en normen zich ook in de taal doorzet. Maar echt optimistisch ben ik niet. Het zijn alleen oude zakken zoals ik die er wakker van liggen, de jongere generatie haalt er haar schouders voor op.”
Eugène Berode (De Morgen, 27 oktober 2007).

“Maar er is iets verontrustends aan de hand. Tegen de xenofobie wordt, gelukkig maar, krachtig gereageerd. Maar als het over onze taal gaat, wemelt het van de ,,progressieven” die vastzitten in het determinisme: we zijn cultureel en/of genetisch zo verschillend van onze noorderburen dat er geen Nederlands bestaat maar Ollands en Vlaams. Pseudo-hippe tieners en pseudo-progressieve volwassenen gaan tekeer alsof ze een freak show zien wanneer iemand nog mooi Nederlands spreekt. Dat merken, tot hun bittere ontgoocheling, ook Franstalige landgenoten die de moeite hebben gedaan goed Nederlands te leren en dan in Antwerpen of elders uitgelachen worden als ze een kopje koffie en broodjes vragen in plaats van een tas en broeikes of pistoleekes. [...] Dat heeft niets met tolerantie en democratie te maken, het is integendeel het meest ondemocratische wat er bestaat. Je laat de cultuurtaal, en het zelfbewustzijn dat daarmee gepaard gaat, aan de elite. En je sluit ,,gewone” mensen, immigranten incluis, op in een koeterwaals waarmee ze zich maar in een straal van een dertigtal kilometer begrijpelijk kunnen maken. Als je naar de de culturele en intellectuele elite van Frankrijk kijkt, sta je vaak versteld hoeveel van die leidende schrijvers, acteurs, cineasten, filosofen enzovoort de kinderen van vaak doodarme immigranten zijn. Wat ze thuis niet konden krijgen, ontvingen ze echter wel van de école républicaine : een mooie taal, respect voor onderwijs en cultuur. Wat een verschil met onze profeten van het alleenzaligmakend dialect of van het verkavelingsvlaams. [...] Dat is pas een aanslag op de minderbedeelden. Alleen grondige taalbeheersing laat toe te denken, te argumenteren, te refuteren, te contesteren. Laat toe te lezen, te begrijpen, op een wonderlijke ontdekkingstocht te gaan die nooit ophoudt. Taalbeheersing is het eerste en allerbelangrijkste instrument van emancipatie. Zonder woorden kun je niet denken.”
Mia Doornaert (De Standaard, 16 augustus 2003)

“Vlaamsch bestaat niet, maar is tegenwoordig een met het nodige Amerikaans opgedirkt dialect van het Antwerps, een ronduit bespottelijk patois, dat zijn vleugels dankt aan de volksverbonden feuilletons waarmee de commerciële televisie het janhagel verstrooit.”
Benno Barnard (Door God bij Europa verwekt, 1996: p. 151)

“[Jeroen Brouwers] was jarenlang werkzaam bij de toen gerenommeerde Vlaamse uitgeverij Manteau; hij had er als opdracht de manuscripten van Vlaamse schrijvers te ontvlooien. Hij deed zijn werk allervoortreffelijkst, maar met toenemende weerzin. De luchtjes die bij dat werk opstegen uit de keuken van de Vlaamse letteren waren lang niet altijd even aangenaam. Hij was getuige van de onzorgvuldigheid waarmee menig Vlaams schrijver zijn eigen moedertaal, die hij vaak met zoveel verbaal geweld aanprees, mishandelde. Tegen dit gebrek aan kennis en zelfrespect is Jeroen Brouwers op zijn hartstochtelijke, maar vooral deskundige manier tekeergegaan. Hij heeft door zijn optreden veel Vlaamse schrijvers in verlegenheid gebracht. De besten onder hen heeft hij echter voorgoed een taalgeweten geschopt […] Door deze schoktherapie via pamfletten en schotschriften heeft hij bijgedragen aan het emancipatieproces van Vlaanderen […] Het is duidelijk dat wij hem daarvoor dankbaar moeten zijn.”
Jozef Deleu, ‘Laudatio voor Jeroen Brouwers’, 27 juni 1992 (Het gaat voorbij, 2007: p. 378)

“De taal van de Vlaming moet nog altijd gecorrigeerd worden. Niet in mijn ogen, maar volgens dat hele spijtige discours van Geert van Istendael over het Verkavelingsvlaams. De Vlaming wil een correcte taal, geen authentieke taal. Noem het voor mijn part VTM-Vlaams, maar er is hier een spreektaal ontstaan die veel ongecomplexeerder wordt gebruikt dan het vroegere ABN. Dat bestraffende optreden tegenover een Vlaamse taal en de eigenaardigheden daarbinnen, vind ik een van de meest verneukeratieve dingen. Mij interesseren de eigenaardigheden van de schrijver Walschap, of die nu Vlaams zijn of niet.”
Tom Lanoye (in Mark Cloostermans, De tak waarop we zitten, 2006: p. 43)

“Wel een opvallende vaststelling vind ik dat Vlaanderen en Nederland steeds verder uit elkaar groeien, naarmate Vlaanderen op gelijke hoogte komt met Nederland. De kwaliteit van onze letteren moet niet langer onderdoen voor die van onze noorderburen, het Nederlands dat hier gesproken en geschreven wordt lijkt steeds meer op de standaard, en toch is de intresse in elkaars leven steeds kleiner.”
Tom Naegels (Yang, december 2001: p. 629)

“Wat opvalt als je drie romans van drie tamelijk jonge Belgen achter elkaar leest, is dat ze zo Vlaams schrijven, tot voor Nederlanders op het vrijwel onleesbare af. Sla Tom Naegels open en je leest:  Het is zo typisch voor Suzanna dat ze er altijd over gaat.  Uit de context valt te begrijpen dat wordt bedoeld dat Suzanna vaak over een bepaald onderwerp praat, maar zo drukken wij dat toch niet uit.”
Arie Storm (Het Parool, 28 oktober 2009)

“Nederland en Vlaanderen hebben een andere geschiedenis, ook hun taal en godsdienst zijn anders. Ik vermoed dat de afstand tussen beide talen steeds kleiner wordt en dat die in het Europa van 2050 nog amper zal bestaan. Taal heeft ook een gezonde traagheid.”
Dorian van der Brempt (Yang, december 2001: p. 637).

“Waar Kas Deprez het bestaan van België nog steeds bleef beschouwen als een effectieve beveiliging tegen Vlaams en/of Waals nationalisme, ging hij frontaal ten aanval tegen ‘dat triestige Groot-Neerlandisme’ en verving hij hoe langer hoe meer de neutrale, objectieve term ‘Belgisch Nederlands’ door de partijdige, subjectieve en wetenschappelijk moeilijk verantwoordbare term ‘Vlaams Nederlands’, waarmee hij soms wel erg dicht in de buurt van de volgens mij toch verwerpelijke term ‘Vlaams’ leek te komen.”
Rik Geeraerts (Yang, december 2001: p. 656)

“[Z]olang er Walen in de buurt zijn, mag dit volk niet eens zijn eigen naam dragen! Vlaming zijn is niet makkelijk.”
Kas Deprez (Naar een eigen identiteit, 1982: p. 163).

“Wat er wel toe doet, is het verschil in taal, en het behoud daarvan. Er wordt hier een andere grammatica gehanteerd, en ik zie geen reden om daar komaf mee te maken. De schrijver maakt gebruik van het materiaal dat voor zijn voeten ligt.”
Bart Meuleman (Yang, december 2001: p. 628)