Onderzoeksvragen

  • Hoe ‘nieuw’ is het Verkavelingsvlaams? Van wanneer dateert het? Wordt deze taal gevoed door soaps (vgl. ‘Soap-Vlaams’) en andere programma’s van de in 1989 opgerichte VTM in het bijzonder (vgl. ‘VTM-Vlaams’)? Heeft ze recent aan vitaliteit gewonnen door de opkomst van nieuwe communicatiemiddelen als internet en sms? Hoe verhoudt het Verkavelingsvlaams zich tot andere in de literatuur geïdentificeerde substandaardvariëteiten, zoals ‘Schoon Vlaams’, ‘tussentaal’, ‘regionale omgangstaal’, ‘Vlederlands’ en ‘Belgisch Beschaafd’? Zijn deze termen louter synoniemen, of duiden ze onderscheidbare taalvariëteiten aan? Is of wordt dit alles empirisch onderzocht?
  • Is het Verkavelingsvlaams meer dan een (informele) spreektaal? Bezit het een eigen grammatica of gaat het om een lexicaal en morfologisch afwijkende variant van het Standaardnederlands? Welke woorden en idiomen zijn typisch Verkavelingsvlaams? Is Verkavelingsvlaams iets voor/van jongeren? Of spreken ook ouderen het?
  • Geert van Istendael identificeerde het Verkavelingsvlaams als de ‘taal die gesproken wordt in de betere villa’s op de verkavelde grond van onze verminkte dorpen’ (van Istendael 1989: 108). Klopt die sociologische analyse? Wat is het effect van een term als Verkavelingsvlaams op de vermeende sprekers ervan?
  • Is het Verkavelingsvlaams een symptoom van geestelijke armoede en luiheid? Of van een ‘typisch Vlaamse’ afkeer van officieel gezag (vgl. belastingontduiking)? Of heeft het tanen van het Algemeen Nederlands te maken met het wegkwijnen van standaardtalen in heel Europa? De populariteit van de Vlaamse tussentaal wordt vaak beschreven als een symptoom van een ‘onvoltooid’ standaardiseringsproces. Als die redenering steek houdt, waarom is dit proces in Vlaanderen dan na zo veel inspanningen in ‘een overgangsfase’ blijven vastzitten? Is de ver-noord-nederlandsing van Vlaanderen misschien even slecht gevallen als de door het Belgische establishment beoogde ‘verfransing’ in de 19de eeuw? En is de taalsituatie in Vlaanderen eigenlijk wel zo uitzonderlijk? Hoe verhoudt het Verkavelingsvlaams zich bijvoorbeeld tot het Poldernederlands, het Estuary English, de Umgangssprache?
  • Als Verkavelingsvlaams een usurpator is, wiens macht of eigendom dreigt deze usurpator onrechtmatig af te nemen? En omgekeerd: wie bestrijdt het Verkavelingsvlaams, en op welke gronden? Spreken deze tegenstanders Algemeen Nederlands? Maar wie of wat bepaalt wat dat Algemeen Nederlands is, en op basis van welke criteria? Vanaf wanneer moeten wijdverspreide (maar eventueel ongewenste) taalveranderingen officieel worden geaccepteerd?
  • Kent het Verkavelingsvlaams een interne usurpator, gezien het  toenemende Antwerps-Brabantse karakter van wat in fictieseries wordt gesproken en voor gezellig informeel taalgebruik doorgaat in talkshows? Is de door Roland Willemyns bedachte term ‘Verkavelingsbrabants’ correcter?
  • Waarom worden Vlaamse ministers van Cultuur zo vaak op hun ‘gebrekkige’ of ‘slechte’ taalgebruik gewezen? Waarom spreken zowel linkse (progressieve, sociaalvoelende, zelfverklaard moderne,…)  als rechtse (behoudsgezinde, nationalistische, zelfverklaard traditionele,…) politici en opiniemakers zich zo schijnbaar eensgezind uit tegen de opkomst van het Verkavelingsvlaams? Welke achtergronden voeden deze afkeer? En welke positie bekleedt het Standaardnederlands vandaag op de Vlaamse arbeidsmarkt? Eisen werkgevers van werknemers een goede beheersing van het Standaardnederlands? Op welke gronden?
  • Waarom wordt het taalgebruik van Vlaamse acteurs, op het theater en op de televisie, zo vaak bekritiseerd? Hoe rijmen we deze kritiek met het succes, in Vlaanderen én soms zelfs in Nederland, van typische Verkavelingsvlaamssprekers als Wim Helsen, of van fictieseries als Van vlees en bloed, Het eiland, Katarakt en De smaak van De Keyser?
  • Op welke wijze worden teksten geredigeerd in Vlaamse en Nederlandse uitgeverijen? Worden Vlaamse auteurs (nog altijd) geacht om hun teksten zoveel mogelijk te conformeren aan de Nederlandse standaardtaal? In welke mate doen met name Vlaamse uitgeverijen nog een beroep op de diensten van Noordnederlandse correctoren? Is het nog altijd de gewoonte literair proza te ‘vernederlandsen’, zoals Jeroen Brouwers in de jaren 1970 onthulde? Of kunnen schrijvers, zoals Tom Lanoye al in de jaren 1980 en recenter bijvoorbeeld Dimitri Verhulst of Tom Naegels, vandaag gemakkelijker een Vlaams idioom (een Verkavelingsvlaams?) hanteren dan pakweg in de jaren 1950 en 1960? En hoe zit het met non-fictie? Zijn (sommige) Vlaamse teksten voor Nederlandse lezers moeilijk verstaanbaar? Wat is onder meer in de literaire kritiek de relatie tussen ‘verstaanbaarheid’ en (esthetische) appreciatie?
  • Is de waardering voor de Nederlandse standaardtaal én voor ‘authentieke’ volkse dialecten enerzijds, en de afkeer van ‘tussentaal’ anderzijds een typisch Vlaamse (Belgische?) reflex, of kan dit denkpatroon worden begrepen in het licht van de moderne West-Europese mentaliteitsgeschiedenis? Is het Verkavelingsvlaams te verbinden met het aanbreken van een ‘laat-moderne’ periode, die gekenmerkt wordt door een grensvervaging tussen publieke en private ruimtes?
  • Hoe sterk staat de Vlaamse openbare omroep onder druk van nieuwe, niet standaardtalige rolmodellen? Wat is de invloed van de verdere ‘commercialisering’ van de media en de onstuitbare opmars van ‘infotainment’? Of raakt deze discussie snel achterhaald door de toenemende ‘creolisering’ (term van Benno Barnard) van het Nederlands die de Vlaamse jeugd treft, onder invloed van de globalisering, migratieprocessen, onvoldoende en ondermaatse scholing, enzovoort?
  • Waar eindigt het verlangen naar verstaanbaarheid en begint het recht op een talige identiteit?  Voorstanders van talige eenheid tussen Vlaanderen en Nederland pleiten voor het behoud van één norm om de onderlinge verstaanbaarheid te waarborgen. Anderzijds zijn velen onder hen het eens dat Vlaanderen recht heeft op een eigen uitspraaknorm en een beperkt eigen lexicon. Waarom kan of mag het recht op talige eigenheid niet uitgebreid worden naar andere domeinen dan uitspraak en lexicon? Waarom is een Belgisch-Nederlands accent voor nieuwslezers acceptabel, maar een ‘Genks’ of ‘Gents’ niet meer? Hoe (on)verstaanbaar zijn Vlaamse taalvariëteiten benoorden Wuustwezel?
  • Als Vlaamse leerlingen en studenten een Verkavelingsvlaams steeds meer als omgangstaal beschouwen, hoe moeten hun leerkrachten en docenten hiermee omspringen? Flink wat studenten komen immers later zelf weer in het onderwijs terecht. Hoe valt het succes van het Verkavelingsvlaams te rijmen met de promotie door de overheid van het Algemeen Nederlands als een soort waarborg voor ‘gelijke kansen’ in het onderwijs? Werken nieuwe participatiebevorderende en leerlinggerichte lesmethodes het gebruik van de standaardtaal tegen? Zijn leerkrachten huiverig geworden om standaardtaal af te dwingen vanwege een door sommige sociolinguïsten gepredikte tolerantie? Of spreken leerkrachten liever Verkavelingsvlaams met hun leerlingen en hun collega’s? Wat beschouwen leerkrachten als goed taalgebruik?
  • Hoe kijken Vlamingen zelf aan tegen hun taalgebruik en dat van anderen? Gaat de opkomst van Verkavelingsvlaams gepaard met een veranderende attitude tegenover dialect en standaardtaal? Wat beschouwen Vlamingen als (hun) standaardtaal en/of ‘moedertaal’? Wat vinden jongeren van ouders, leerkrachten en anderen die zich zorgen maken over hun sms-, msn-, chat- of ander elektronisch taalgebruik? Moeten of kunnen beleidsinitiatieven (van de Taalunie, de Vlaamse overheid…) rekening houden met taalattitudes?

One comment

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s