Mia Doornaert

Inconvenient truths

De manke usurpator weet het nu wel zeker: Dave Sinardet is een hersenspinsel van de sedert het overlijden van Angèle Manteau zonder concurrentie meest geduchte barones van België! Niemand anders dan Mia Doornaert benut de schuilnaam Sinardet om haar grote boodschap vandaag andermaal (zie vorig bericht) te pluggen in De Standaard:

En het Nederlands, dat zet in de nieuwe ministaat gewoon rustig zijn vervelling verder tot tussentaal en Engels – en liefst nog een combinatie daarvan. Goe bezig, gelàk da z’int Vloams zegge.

Een flauwe plezante zou er op durven te wijzen dat ‘verderzetten‘ in deze zin wellicht een illustratie mag heten van de door ‘Sinardet’ gesignaleerde vervelling, en ongeïnspireerd terugkaatsen: goe bezig.

Advertenties

het lukt niet – aflevering elfendertig

Om de brug te slaan naar het weekend recyclet De Standaard vandaag een oude column van Mia Doornaert over het verband tussen Vlaamse autonomie en tussentaal. Tot de columniste zich zal opwinden over de NMBS-campagne voor de blue bikes (hieronder) houden we het dan maar bij Kurt van Eeghems bedenkingen over Vlaamse identitaaait:

Al dat goede werk kreeg een vervolg in ‘het veld’ wanneer de overal opduikende ‘ABN-kernen’ in parochiezalen allerhande het verenigingsleven tot meer taalkundige eenheid dwongen. Niets heeft het opgeleverd. Of toch bijna niets want de Vlaming kan blijkbaar wel ondertitels lezen en begrijpen – nergens ter wereld worden zoveel programma’s in de eigen taal ondertiteld – maar zodra een Brusselaar met een Bruggeling praat is het afgelopen met ‘het begrijpen’ en net zo vergaat het inwoners van Maaseik en Deinze of van en Bilzen. Het lukt niet, de gemeenschappelijke taal slaat niet aan. We hebben bovendien onze dialecten verwaarloosd. De onzorgvuldigheid waarmee we praten heeft ervoor gezorgd dat we twee talen, het eigen dialect en de gemeenschapstaal, zijn kwijtgeraakt. In ruil kregen we het ‘verkavelingsvlaams’, een tegen beiden aanschurkend gebrabbel dat in elke stad anders klinkt.


Als dit koeterwaals tegen alle redelijke verwachtingen in te weinig ergernis zou verwekken, dan hangen in de buurt nog wel enkele fraaie exemplaren met daarop Kim Clijsters en een slogan in een nog uit te vinden soort pidgin:

De genomineerden voor De Manke Usurpator 2010

Op 19 oktober 2010 wordt de allereerste Manke Usurpator uitgereikt (zie ook hier). De gloednieuwe prijs is bestemd voor personen en organisaties die zich verdienstelijk maken in de strijd tegen de Vlaamse tussentaal, beter bekend als Verkavelingsvlaams. Roos van Acker, Mia Doornaert, Marc Reynebeau, Bart De Wever en 200 jaar Vlaamse neerlandistiek haalden de shortlist. De jury licht hieronder haar keuze toe. Het belooft een spannende strijd te worden, aangezien de juryleden in het verleden niet altijd van grote integriteit blijk hebben gegeven. U kunt hen dan ook beslist trachten te beïnvloeden met uw reacties op deze plek of via demankeusurpator@ua.ac.be.

Vooraf nog dit: het reglement van de Manke Usurpator bepaalt dat alleen Nederlandstalige Belgen of Belgische organisaties voor onderscheiding in aanmerking kunnen komen. De organisatoren willen niet miskennen dat sommige Nederlanders zich verdienstelijk hebben getoond in de strijd tegen Vlaamse taalverloedering. Onze noorderbroeders hebben echter kunnen profiteren van hun grote taalvoorsprong op Vlaanderen. De Manke Usurpator wil in de eerste plaats de moed prijzen van Vlamingen die niet te beroerd zijn om de achterstand van hun eigen natie te gispen. De Manke Usurpator is tot slot een louter symbolische blijk van waardering. De initiatiefnemers wijzen erop dat de dankbaarheid van gans het volk niet in euro kan worden uitgedrukt. De plechtige uitreiking van de eerste Manke Usurpator vindt plaats op dinsdag 19 oktober 2010 om 17u in het Hof van Liere (Prinsstraat 13, Antwerpen).

1. Roos van Acker

Televisie- en radiopresentatrice Roos van Acker spreekt niet alleen een Nederlands dat slechts zelden bijsturing behoeft van Jan Hautekiet of Ruud Hendrickx. Ze ademt, zweet en eet die taal. Zo belegt ze haar brood niet met schelletjes, maar met plakjes, eet ze puntbroodjes in plaats van sandwiches en bestelt ze haar frietjes niet in een ordinaire frituur maar in een friettent. Al op tienjarige leeftijd keek ze tv met het Groene Boekje in haar schoot om notoire tussentaalverspreiders als Bart Peeters te kunnen corrigeren. De jury wil Roos van Acker echter in de eerste plaats huldigen omdat ze openlijk durfde te solliciteren naar de functie van VRT-taaladviseur. Met deze uit-de-kast-verschijning stak ze Will Ferdy naar de kroon en schiep ze hip gezoem rond een beroep dat niet altijd de waardering toekomt dat het verdient. Van een ministerschap droomt Roos van Acker nog niet. Als ze evenwel ooit uitvoerende macht van politieke aard verwerft, dan zal ze het adjectief ‘beschaafd’ bij wet herintroduceren tussen Algemeen en Nederlands.

Kenmerkende uitspraak:

“[O]p mijn tiende [zat ik] met het Groene Boekje voor tv om Bart Peeters op verbale uitschuivers te betrappen. Ik verbeterde ook mijn klasgenootjes, stel je voor! Hoe nerdy kan je zijn. Wél verontschuldigde ik me altijd als ik het deed. Omdat ik uit eigen ondervinding wist hoe irritant het kan zijn dat iemand je voor zoiets op de vingers tikt.” (Jobat)

2. Mia Doornaert

De Standaard-columniste en Yves Leterme-adviseur Mia Doornaert heeft ongetwijfeld een rijke en beschaafde woordenschat, maar ‘genade’ heeft ze er zelfbewust uit geschrapt. Geen taalzonde is haar te onbeduidend. Een Gents dienstertje dat een klant durft aan te spreken met ‘jou’ krijgt stante pede drie kaakslagen voor haar grove schendingen tegen onze taalvoorschriften. Overdreven? Mia Doornaert is de oorlog niet begonnen. Enkele jaren geleden werd ze in Antwerpen uitgelachen omdat ze een kopje koffie en broodjes vroeg in plaats van ‘een tas’ en ‘pistoleekes’. Men zou voor minder wraak nemen op de Vlaamse horeca. Vermeld moet nog worden dat Mia Doornaert zich heeft toegelegd op het bedenken van zoveel mogelijk synoniemen voor het Verkavelingsvlaams. Dat leverde al de termen koetervlaams (naar analogie met koeterwaals) en verkavelingsbargoens op. Kortom, voor haar even onverdroten als creatieve verzet tegen het Verkavelingsvlaams eert de jury Mia Doornaert met een nominatie voor de Manke Usurpator.

Kenmerkende uitspraak:

“Het verschil tussen ‘u’ en ‘je’ ontgaat inderdaad de meeste Vlamingen. Je hoort ze ‘u’ zeggen tegen een kind, en een totaal onbekende met ‘je’ aanpreken. Je krijgt mails die beginnen met ‘zeer geachte mevrouw’ en dan ‘jou’ iets vragen. En er komt nauwelijks nog een mail of brief waarin ‘u’ en ‘je’, ‘uw’ en ‘jouw’ niet gruwelijk door elkaar gebruikt worden […] Het onvermogen die vormen uit elkaar te houden maakt deel uit van een algemene taalverloedering.” (De Standaard, 9 november 2009)

3. Marc Reynebeau

Marc Reynebeau heeft de jury kunnen bekoren met zijn campagne tegen de zogenaamde dialectpop die, zoals de historicus al vroeg besefte, de geesten van onze jeugd bederft. De Vlaamse dialectpopzangers zingen namelijk niet in een echt dialect, maar in ‘een tussentaal met een uitgesproken regionale tongval’. Terwijl de simpelen van geest zich laten verblinden door deze schijn van authenticiteit, ziet Marc Reynebeau de zaken zoals ze zijn: ‘taalonvermogen’. Recent etaleerde Reynebeau zijn gevreesde talent voor deconstructie nog eens in een dissectie van het gesprek tussen Godfried Danneels en het slachtoffer van Roger Vangheluwe. De jury oordeelt dat hij alleen daar al een prijs voor verdient.

Kenmerkende uitspraak:

“Dat blijkt het duidelijkst wanneer hij [Danneels] zegt: ‘Ge kunt ook vergiffenis vragen, hé, en uw schuld bekennen.’ Danneels gebruikt daar de tweede persoon enkelvoud als onpersoonlijk voornaamwoord, een synoniem voor ‘men’, waarmee hij niemand concreet bedoelt en het bestaan van een algemene regel suggereert. Dat doet hij nog enkele keren in het gesprek, soms ook met het veralgemenende ‘wij’ (‘We kunnen ook vergiffenis vragen en vergiffenis geven’). Dat verwart het slachtoffer, want wie is die ‘ge’ die vergiffenis moet vragen? […] Het verwarrende gegoochel met persoonlijke voornaamwoorden is deels wellicht een gevolg van de slordigheid die eigen is aan de Vlaamse tussentaal.” (De Standaard, 30 augustus 2010)

4. Bart De Wever

Politicus en historicus Bart De Wever is de vreemde eend in deze bijt. In tegenstelling tot de andere genomineerden kon hij tot dusver nog nooit worden betrapt op een overdreven beschaafd taalgebruik, alle Latijnse spreuken ten spijt. De jury van de Manke Usurpator vond in zijn openlijk beleden schaamte over zijn Verkavelingsberchems niettemin een prima reden om de voorzitter van de Nieuw-Vlaamse Alliantie met een nominatie te belonen. Als niemand anders weet hij dat de Vlaamse weg naar de beschaving met Algemeen Nederlands is geplaveid. (Ander plaveisel doet naar verluidt de Franstaligen in lachen uitbarsten.) Dat de Vlaamse natie in de 21ste eeuw nog altijd met een tussentaal zit opgescheept, grieft hem dan ook diep: ‘Natuurlijk vind ik dat erg. We zijn aan het verantwerpsen.’ De jury draagt De Wever voor als kandidaat voor de Manke Usurpator. Niet voor bewezen diensten, maar als een aansporing om zondebesef om te zetten in de kracht die zal nodig blijken om het Vlaamse volk weer op het pad van glorie te krijgen.

Kenmerkende uitspraak:

“Nivelleren naar boven werd ingeruild voor nivelleren naar beneden, met een enthousiasme alsof diarree de ideale remedie zou zijn voor constipatie. De gevolgen zie je het best aan ons taalgebruik. Het streven naar het doorsijpelen van algemeen Nederlands werd zo goed als opgegeven. Zelfs de openbare omroep vindt het vandaag normaal om populaire series te maken waarin de acteurs een soort tussentaal spreken. Die – mijn gedacht! – gretig ingang vindt. Het resultaat is een veralgemening van een soort randstedelijk Antwerps, gelardeerd met exotische klanken en uitdrukkingen uit andere provincies.” (De Morgen, 16 juli 2007)

5. 200 jaar Vlaamse neerlandistiek

Benno Barnard kan op onwijsheid noch op taalonvermogen worden betrapt. Van hem zijn de gevleugelde woorden dat Vlaanderen ‘in zijn eigen provinciale taalprut’ wegzinkt, en van het Verkavelingsvlaams weet hij dat het uit ‘gediftongeerde braaksimulaties’ bestaat. Toch gaan goede intenties af en toe ten koste van nuance. Neem Barnards hekel aan neerlandici. ‘Ze dienen allemaal in het water te worden geworpen!’, beval de auteur ooit, onmiskenbaar met een eindoplossing voor ogen (al vreesde hij dat het merendeel ‘van pure academische opgeblazenheid’ zou blijven drijven). Barnards voornaamste bezwaar tegen taalkundigen is dat ze dol zijn op verandering: ‘als het volk massaal een bepaalde taalfout begint te maken, staan ze verrukt toe te kijken, als ouders bij hun spelende kinderen’. Kom, kom, dit berust op een misverstand. Taalkundigen houden niet van verandering en van taalfouten gaan ze allerminst uit de bol. Sinds de Belgische onafhankelijkheid hebben neerlandici in Vlaanderen geijverd voor de invoering en het goede gebruik van een beschaafde omgangstaal. En met zo mogelijk nog meer bezieling hebben ze zich ingezet om alle onbeschaafde taalvariëteiten uit te roeien. Opgemerkt dient te worden dat hun verdelgingspogingen niet ten koste gingen van de authentieke schone Vlaamse dialecten. Die werden doorgaans met liefde en begrip bejegend. Nee, lang voor Geert van Istendael bonden neerlandici in Vlaanderen de strijd aan tegen allerlei schaduwtaaltjes die tussen dialect en cultuurtaal woekeren als onkruid. Creolisering mag goed genoeg zijn voor ontwikkelingsgebieden, maar voor een natie die hemelhoog in de vaart der volkeren wil worden opgestoten, liggen de zaken toch enigszins anders.
Voor haar nooit verminderde verantwoordelijkheidszin en haar bereidheid om wetenschap dienstbaar te maken aan het algemene belang, nomineert de jury de Vlaamse neerlandistiek voor de Manke Usurpator. Bij een collectieve prestatie hoort een collectieve nominatie. Zij die zich graag sociolinguïst noemen zijn echter expliciet uitgesloten van de eer. Sociolinguïsten zijn namelijk ‘gevaarlijke mensen, die de beschaving bedreigen en daarom dienen te worden opgesloten in een zonnige kliniek voor geesteszieken’. De woorden zijn wederom van Benno Barnard en in dit geval krijgt hij van de jury overschot van gelijk.

Helaas te weinig prioriteit

Men zou het bij haar vurige pleidooi voor het behoud van een Belgische identiteit over het hoofd gaan zien, maar Doornaerts opvattingen over taal en taalgebruik in Vlaanderen stemmen, behalve met zowat iedereen die al eens door de megafoon van Vlaamse media mag spreken, ook overeen met die van de Vlaamse republikein Bart De Wever. Zo noteerde de voorzitter van de NV-A drie jaar geleden in De Morgen in een overigens best geestige column:

‘Als we jongeren vandaag cultureel van onderuit moeten benaderen, is dat immers het resultaat van 40 jaar de verkeerde richting uitfietsen. Nivelleren naar boven werd ingeruild voor nivelleren naar beneden, met een enthousiasme alsof diarree de ideale remedie zou zijn voor constipatie. De gevolgen zie je het best aan ons taalgebruik. Het streven naar het doorsijpelen van algemeen Nederlands werd zo goed als opgegeven. Zelfs de openbare omroep vindt het vandaag normaal om populaire series te maken waarin de acteurs een soort tussentaal spreken. Die – mijn gedacht! – gretig ingang vindt. Het resultaat is een veralgemening van een soort randstedelijk Antwerps, gelardeerd met exotische klanken en uitdrukkingen uit andere provincies.’ (‘Wie echt cool is, heeft Bert Anciaux niet nodig’, in: De Morgen, 16 juli 2007)

Schizofreen genoeg bedient De Wever zich zelf bij iedere publieke gelegenheid van een ‘soort randstedelijk Antwerps’ – Johan Taeldeman zou wellicht spreken van Verkavelingsberchems. Voor Vlaanderens onvoltooid gebleven taalemancipatie gaf De Wever drie jaar geleden in gesprek met Benno Barnard en Geert van Istendael volgende verklaring:

‘De generatie van Wilfried Martens [“luctor et emergo” – dmu] begon Algemeen Nederlands te spreken, en dat was een bewuste daad van verzet, een daad van volksverheffing, om Vlaanderen uit de klei te trekken. Maar door de economische machtsverschuiving in de jaren zestig is Vlaanderen zich op zichzelf gaan richten, zonder dat die taalkundige omslag was voltooid; en zo zijn we met een tussentaal blijven zitten. En daarbij komt dat het vroegere cultuurideaal van de BRT volledig is verdwenen. […] Natuurlijk vind ik dat erg. Maar het gebeurt. We zijn aan het verantwerpsen.’

Op Barnards vraag waarom hij zich nooit uitsprak over ‘zoiets als die dwaze ondertiteling’ en of hij voor zijn partij dan geen ‘culturele taak’ meer weggelegd zag, reageerde De Wever: ‘Dat is een kritiek die ik wel wil aanvaarden, ja. In het gewoel van elke dag is dat helaas te weinig prioriteit.’ (Benno Barnard, ‘Dierbare vijanden’, in: Knack, 7 maart 2007)

In de hoger vermelde column in De Morgen, die vier maanden na zijn onderonsje met Barnard en Van Istendael verscheen, zette De Wever alvast een en ander recht:

‘Ik kon wel enig begrip opbrengen voor de In De Gloriafiguur Gerrit Callewaert uit Bavikhove, die in essentie aanklaagde dat Vlamingen die zich in hun dialect nog niet voldoende geconfirmeerd [sic] hebben aan de nieuwe Vlaamse taal, ondertiteld worden op televisie. Net als Nederlanders trouwens.’