Geert van Istendael

Ambras in de verkaveling

Knack biedt een impressie van het debat over Schoon Vlaams. 

Advertenties

Helaas te weinig prioriteit

Men zou het bij haar vurige pleidooi voor het behoud van een Belgische identiteit over het hoofd gaan zien, maar Doornaerts opvattingen over taal en taalgebruik in Vlaanderen stemmen, behalve met zowat iedereen die al eens door de megafoon van Vlaamse media mag spreken, ook overeen met die van de Vlaamse republikein Bart De Wever. Zo noteerde de voorzitter van de NV-A drie jaar geleden in De Morgen in een overigens best geestige column:

‘Als we jongeren vandaag cultureel van onderuit moeten benaderen, is dat immers het resultaat van 40 jaar de verkeerde richting uitfietsen. Nivelleren naar boven werd ingeruild voor nivelleren naar beneden, met een enthousiasme alsof diarree de ideale remedie zou zijn voor constipatie. De gevolgen zie je het best aan ons taalgebruik. Het streven naar het doorsijpelen van algemeen Nederlands werd zo goed als opgegeven. Zelfs de openbare omroep vindt het vandaag normaal om populaire series te maken waarin de acteurs een soort tussentaal spreken. Die – mijn gedacht! – gretig ingang vindt. Het resultaat is een veralgemening van een soort randstedelijk Antwerps, gelardeerd met exotische klanken en uitdrukkingen uit andere provincies.’ (‘Wie echt cool is, heeft Bert Anciaux niet nodig’, in: De Morgen, 16 juli 2007)

Schizofreen genoeg bedient De Wever zich zelf bij iedere publieke gelegenheid van een ‘soort randstedelijk Antwerps’ – Johan Taeldeman zou wellicht spreken van Verkavelingsberchems. Voor Vlaanderens onvoltooid gebleven taalemancipatie gaf De Wever drie jaar geleden in gesprek met Benno Barnard en Geert van Istendael volgende verklaring:

‘De generatie van Wilfried Martens [“luctor et emergo” – dmu] begon Algemeen Nederlands te spreken, en dat was een bewuste daad van verzet, een daad van volksverheffing, om Vlaanderen uit de klei te trekken. Maar door de economische machtsverschuiving in de jaren zestig is Vlaanderen zich op zichzelf gaan richten, zonder dat die taalkundige omslag was voltooid; en zo zijn we met een tussentaal blijven zitten. En daarbij komt dat het vroegere cultuurideaal van de BRT volledig is verdwenen. […] Natuurlijk vind ik dat erg. Maar het gebeurt. We zijn aan het verantwerpsen.’

Op Barnards vraag waarom hij zich nooit uitsprak over ‘zoiets als die dwaze ondertiteling’ en of hij voor zijn partij dan geen ‘culturele taak’ meer weggelegd zag, reageerde De Wever: ‘Dat is een kritiek die ik wel wil aanvaarden, ja. In het gewoel van elke dag is dat helaas te weinig prioriteit.’ (Benno Barnard, ‘Dierbare vijanden’, in: Knack, 7 maart 2007)

In de hoger vermelde column in De Morgen, die vier maanden na zijn onderonsje met Barnard en Van Istendael verscheen, zette De Wever alvast een en ander recht:

‘Ik kon wel enig begrip opbrengen voor de In De Gloriafiguur Gerrit Callewaert uit Bavikhove, die in essentie aanklaagde dat Vlamingen die zich in hun dialect nog niet voldoende geconfirmeerd [sic] hebben aan de nieuwe Vlaamse taal, ondertiteld worden op televisie. Net als Nederlanders trouwens.’

‘Ni helemaal in orde’

“De beschrijving van den bijval na Van Istendaels voordracht lijkt mij ni helemaal in orde. Het applaus kwam mij tamelijk beleefd voor, slechts nen enkele zot (dieje bij zo’n gelegenheid vaneigens erbij is) leek echt enthousiast.”

VlaamseTaal.be maakt enkele kanttekeningen bij het Knack-stuk, met name bij het taalregister van enkele ter sprake gebrachte Vlaamse artiesten. Wat Fixkes betreft kan alvast nog worden verwezen naar deze uitspraak van Johan Taeldeman: ‘Nu heb je een fenomeen als Fixkes, dat in een nepdialect triomfen oogst. Want vergis je niet, die gasten zingen geen echt Stabroeks, dat is Verkavelingsstabroeks!’ (De Morgen, 20 oktober 2007, een langer citaat is te vinden in onze discussie-rubriek)

Moeten we dringend opnieuw leren ‘klappen’?

Vandaag in Knack een bijdrage over de kwestie ‘Standaardtaal of Verkavelingsvlaams?’. Met naast een impressie van de recent door de KANTL georganiseerde studiedag, interviews met taalhistoricus Joop van der Horst (KULeuven), schrijver en Verkavelingsvlaams-bestrijder Geert van Istendael en sociolinguïst Jürgen Jaspers (Universiteit Antwerpen).

De mosterd

 “Er is trouwens iets nieuws, iets vuils de taal in de Zuidelijke Nederlanden aan het aantasten, aan het doodknijpen. Het is een manke usurpator in kale kleren, maar hij heeft de verwaandheid en de lompheid van de parvenu. Hij heet Verkavelingsvlaams.
Verkavelingsvlaams, dat is de taal die gesproken wordt in de betere villa’s op de verkavelde grond van onze verminkte dorpen. Het is de taal van de jongens en de meisjes die naar een deftige school gaan en andere kinderen uitlachen omdat die zo onbeschaafd praten.
De woordenschat van die jongens en meisjes is níet plat, o nee, maar ze is arm. Hun zinsbouw is niet dorps, maar krom. Hun uitspraak is niet echt lelijk, maar karakterloos.
Geef mij Hoog-hollands of Boerenmeetjeslands, geef mij Arbeidersgents van de Muide of de Statenvertaling, geef me alles maar dat niet. Van het Verkavelingsvlaams verlos ons Heer!
Bovendien denken die lammelingen dat ze fatsoenlijk Nederlands spreken!
Ze zijn te goed voor dialect en het Hollands haten ze. Ze halen hun neus op voor het goeie, door en door Nederlandse ‘oe-sj-itte-gaë’ (hoe heet-e gij) van het dialect en vragen ‘oe noemde gij’ en antwoorden ‘ik noem Jan’. Wie beweert dat er een verschil is tussen ‘heten’ en ‘noemen’ is een spelbreker en wil Vlaanderen overleveren aan de Hollanders. Het zijn de mensen die vragen ‘wad uur iest’ (‘wat uur is het’, letterlijk ‘quelle heure est-il’) om te weten hoe laat ze naar een Vlaams-nationale vergadering moeten gaan.
Verkavelingsvlaams, het is de taal van een nieuwsoorting, door en door vals Vlaams zelfvertrouwen, het is de taal die uit minachting voor de spraak van gewone mensen en uit angst voor Nederlands geboren is, een wangedrocht is het, die taal van het nieuwe Vlaanderen, dat blaakt van intellectuele luiheid. Het allerergste is dat het waardeloze Verkavelingsvlaams steeds vaker door gewone mensen wordt overgenomen. Hoorde ik laatst de slager niet zeggen: ‘Ik heb e goe contact naar mijne zoon toe?'”
Geert Van Istendael (1993). Het Belgisch labyrint. Wakker worden in een ander land. Amsterdam: De Arbeiderspers.

De manke usurpator

In 1989 constateerde Geert van Istendael in Het Belgisch labyrint of De schoonheid der wanstaltigheid dat er ‘iets vuils’ de taal in de zuidelijke Nederlanden ‘aan het doodknijpen’ was: ‘Het is een manke usurpator in kale kleren, maar hij heeft de verwaandheid en de lompheid van een parvenu. Hij heet “Verkavelingsvlaams”’ (p. 108). De naam van deze usurpator dook al snel op in de nieuwsmedia, drong links en rechts een schoolboek binnen en ging uiteindelijk deel uitmaken van de officiële woordenschat toen Van Dale ‘Verkavelingsvlaams’ definieerde als de ‘informele spreektaal in Nederlandstalig België die geen dialect is maar ook geen Algemeen Nederlands’ (1999, p. 3688).

Het Verkavelingsvlaams wordt gewoonlijk betreurd, verketterd en bestreden. Maar met onze kennis van de door Geert van Istendael zo vervloekte indringer liep het de voorbije twee decennia niet zo’n vaart. De meeste taalkundigen lijken in het begrip Verkavelingsvlaams een stout synoniem voor ‘tussentaal’ te hebben herkend, een term die in de laatste jaren opgeld maakt in het variatielinguïstisch onderzoek naar substandaardisering (zeg maar: de opkomst van een Vlaamse taal die niet de status van een standaard bezit, maar waarvan de functionaliteit veel groter blijkt dan die van dialecten). Maar of tussentaal en Verkavelingsvlaams precies hetzelfde zijn weten ook taalkundigen niet, en evenmin waarom net Verkavelingsvlaams als term zoveel bijval heeft geoogst.  Het debat over Verkavelingsvlaams is daardoor goeddeels blijven hangen in de sfeer van ideologie, opinievorming en bovenal hoogoplaaiende emotie. In 2003 moest Roland Willemyns in Het verhaal van het Vlaams concluderen: ‘Wat Verkavelingsvlaams precies is, daar heeft men eigenlijk […] nog nooit een antwoord op gegeven’ (p. 362).

Om de even gehate als succesvolle usurpator beter te leren kennen, organiseren we aan de Universiteit Antwerpen op 18 en 19 oktober 2010 twee studiedagen. We kijken uit naar taalkundige beschrijvingen en ontledingen van het Verkavelingsvlaams, maar willen de discussie verruimen en verwelkomen in het bijzonder onder meer ook sociologisch, cultuurhistorisch, literatuurwetenschappelijk, taalpedagogisch, (taal)politicologisch en communicatiewetenschappelijk onderzoek. Een kruisbestuiving van disciplines lijkt ons noodzakelijk om te kunnen achterhalen wat het Verkavelingsvlaams is, welke fenomenen ermee worden bedoeld, waar het vandaan komt, waarom het wordt verfoeid, op welke manieren erover wordt gesproken, wie het spreekt of schrijft en waarom.