de manke usurpator

Indianenverhaal

Op de nieuwssite Apache verscheen op 17 april 2014 een interview met Kevin Absillis, over Verkavelingsvlaams, Algemeen Nederlands, Bart De Wever, Vlaamse kunstenaars en nog wat. Een fragment:

Samen met Jürgen Jaspers en Sarah Van Hoof stelde Absillis een bundel samen over de tussentaal in Vlaanderen, oftewel het Verkavelingsvlaams. Ze tornden met veel bombarie aan het algemeen Nederlands of de standaardtaal en daarmee riepen ze een vloek over zichzelf af van mensen als Geert van Istendael en Mia Doornaert. In het debat dat volgde konden ze maar weinig steun vinden. Taal ligt in de 21e eeuw in Vlaanderen nog steeds heel erg gevoelig.

[Absillis:] Er bestond veel verwarring over wat wij precies verdedigden: mensen dachten dat we het Standaardnederlands wilden afvoeren en tussentaal introduceren als nieuwe norm. Dat is natuurlijk niet zo. Wij wilden enkel evidente vragen stellen over taal in Vlaanderen. Welk Nederlands mogen we verwachten van mensen met een migratie-achtergrond? Welk niveau moeten studenten hebben na zes jaar middelbaar onderwijs? Het minimum moet zijn dat iedereen op een volwaardige manier aan de democratie kan deelnemen. Mensen moeten de communicatie van de overheid begrijpen, en met die overheid ook in dialoog kunnen gaan. Dat is elementair. Maar moeten we daarnaast van iedereen dezelfde beheersing van AN verwachten? Hoe zinvol is dat?

Is het niet de ambitie van ons onderwijssysteem om iedereen Standaardnederlands te leren?

Ik ben afgestudeerd in een richting waar wij in de laatste twee jaren nog twee uur wiskunde kregen per week. Dat maakt van mij eigenlijk een wiskundige analfabeet. Maar er is helemaal niemand die daar zwaar aan tilt. Als de Vlaamse overheid echt wil dat we met zijn allen Standaardnederlands kunnen schrijven en spreken zoals het sommigen voor ogen staat, dan moeten we de uren Nederlands in het middelbaar minstens verdubbelen. Ten koste waarvan zullen we dat organiseren?

Taal is misschien wel belangrijker dan wiskunde.

Ja, dat vind ik natuurlijk ook. En ik wil ook nog wel eens dromen dat iedereen zich kan uitdrukken in een verzorgde en rijk geschakeerde taal, maar we moeten daar realistisch in zijn. In de praktijk ontbreken daarvoor de tijd, de energie, het geld, en als het er echt op aan komt ook de politieke wil. Terzelfder tijd worden in de publieke ruimte wel allerlei onrealistische verwachtingen openlijk gekoesterd en dat schept problemen. Denk aan nieuwe Belgen: wanneer spreken zij voldoende Nederlands om te worden aanvaard in de samenleving? Bij de VRT is een licht accent vaak zelfs al een probleem. Gevolg: mensen met een migratieachtergrond komen amper in aanmerking om een programma te presenteren. Let wel: dat is niet alleen de verantwoordelijkheid van de VRT. Enquête na enquête wijst uit dat de gemiddelde Vlaming heel weinig tolerant is voor accentvariatie op de openbare omroep. Of neem mensen die op school nooit de kans hebben gehad om de Standaardtaal tot in de puntjes aangeleerd te krijgen. Of mensen die er gewoon het talent niet voor hebben, die bestaan ook. Moeten die mensen daarvoor nog eens extra worden gestraft?

Wil de overheid geen geld investeren in taalonderwijs?

Er is in ieder geval iets vreemds aan de hand met de politieke partijen die taalonderwijs, zeker voor nieuwkomers, belangrijk zeggen te vinden. Het eerste wat opvalt is dat je die politici zelden of nooit Algemeen Nederlands hoort praten, en echt geïnteresseerd in de culturele emancipatie van mensen lijken ze ook al niet. Integreren betekent in de eerste plaats toch, behalve zo weinig mogelijk ‘overlast’ veroorzaken, economisch nuttig zijn. De grap is natuurlijk dat de economische emancipatie van de Vlaming geen enkel verband vertoont met diens beheersing van het AN. Vele opiniemakers vinden toch dat bankiers, bedrijfsleiders, politici en noem maar op schabouwelijk Nederlands praten. Ze spugen taal, zou Hugo Camps schrijven. De paradox is natuurlijk dat het hier over in maatschappelijke termen bijzonder sterk geëmancipeerde mensen gaat. Met andere woorden: wie in Vlaanderen succesvol wil zijn, heeft dat algemeen Nederlands blijkbaar helemaal niet nodig. Dat geldt eigenlijk ook voor de cultuurwereld. Wat heb je aan onze standaardtaal als je vandaag naar het theater gaat? Niet veel. Of probeer Boon, van Ostaijen of Conscience eens te lezen: ook de taal van hun werk wijkt behoorlijk af van het algemeen Nederlands.

Toch werden jullie door een schrijver als Dimitri Verhulst hard aangevallen.

Ja, terwijl zijn boeken geschreven zijn in een soort Verkavelingsvlaams, deels ongetwijfeld bewust, maar deels zeker ook onbewust. Hij windt zich er trouwens openlijk over op dat zijn Noord-Nederlandse redacteur Belgische of dialectische uitdrukkingen uit zijn teksten probeert te halen. Maar, goed, na de publicatie van ons boek viel iederéén ons aan. Men beweerde dat wij kansarme mensen wilden opsluiten in hun getto van slecht Nederlands en afschermen van een geprivilegieerde cultuur. Maar in werkelijkheid hoor je in de privésfeer en in de publieke ruimte almaar minder algemeen Nederlands.

Er bestaat een taboe om tussentaal te bediscussiëren, maar iedereen spreekt het al.

Dat is het schizofrene aan de discussie in Vlaanderen. En nog iets dubbelhartigs aan dit hele debat: de meest progressieve geesten, die in andere discussies zo uitblinken in anti-Vlaams-nationalisme, staan in het taaldebat arm in arm met N-VA’ers en Vlaams Belangers.

Waarom?

De taalstrijd is begonnen met de Vlaamse beweging en stoelt op een minderwaardigheidscomplex. Vlamingen wilden het Nederlands perfect beheersen omdat ze anders bang waren om de karikatuur te worden die het Franstalige establishment graag van hen maakte: boertjes die zich onvolmaakt uitdrukten. Historisch is die strijd begrijpelijk, maar vandaag is die krampachtigheid rond taal in Vlaanderen echt niet meer zinvol.

Wordt niet net die tussentaal door progressieven gezien als een symbool van het nieuwe en sterke Vlaanderen waar zij zich niet in herkennen?

Dat klopt. De haat voor tussentaal van sommige intellectuelen steunt vooral op associaties met de ‘fermettecultuur’ van de zogenaamd ‘zelfgenoegzame’, ‘vadsige’ Vlaming. Niet toevallig is die tussentaal bekend geworden als Verkavelingsvlaams. En vandaag wordt die vadsige, patserige Vlaming al snel geïdentificeerd als de modale N-VA-kiezer. De grap is andermaal dat de N-VA, tenminste officieel, de taal van de gemiddelde Vlaming ook een gedrocht vindt. De Vlaamse beweging kan niet anders dan hierin een mislukking van de taalstrijd zien. De angst voor Vlaming die zich afkeert van het beschaafde Noorden en zich op sluit in zijn ‘provincialisme’, dat is vintage flamingantisme! Een N-VA’er als Geert Bourgeois zal het Standaardnederlands minstens zo hevig verdedigen als de culturele elite. Ook Bart De Wever doet dat trouwens, terwijl die uiteindelijk een soort van verkavelingsmortsels spreekt.
Het was overigens een Vlaams Belanger die naar aanleiding van ons boek vragen heeft gesteld in het Vlaamse parlement over de tussentaal. En alle partijen hebben zijn bezorgdheid over het voortbestaan van het Standaardnederlands netjes beaamd. In de praktijk is AN geen prioriteit, maar als symbool blijft het een kwestie van leven of dood. Ook vele Vlamingen geven in onderzoeken aan het Standaardnederlands belangrijk en waardevol te vinden, terwijl ze het meestal zelf niet kunnen spreken.’

Lees verder op: http://www.apache.be.

Laat mij horen wat u zegt en ik zeg u waar u het gelezen heeft

De Standaard pakt deze week naar jaarlijks gebruik uit met Taalbijlagen. Niet toevallig de standaard, deze krant. De manke usurpator kraait evenwel nooit te vroeg hoezee, zeker niet sinds een kruisvormig letterwoord spoorslags van de voorpagina verdampte. Nooit eerder heeft het Vlaamse regime van goed bedoelde betutteling en terechte zuiverheidsneurose harder onder druk gestaan. En helaas: anno 2012 dreigen ook de laatste ringbaarden te capituleren voor halfhartige tolerantie en andere varianten van zelfverloochening. Staat dan niemand meer pal?

Wat Ludo Permentier vandaag onder de kop “Laat mij horen wat u zegt en ik zeg u wie u bent” bijeensprokkelt, is trouwens niet alleen vrijblijvend.  Het is ook weinig origineel. Neem deze alinea:

In Vlaanderen is tussentaal overal te horen. Overal kom je uithangborden tegen die automobilisten aansporen om vaart te minderen met de slogan ‘Merci om trager te rijden’. Ook het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid doet mee met: ‘Gene zever: binnenkort speekseltest tegen drugs in het verkeer’. En de spoorwegmaatschappij hangt posters op met gefingeerde treinhaltes als ‘de bomma’ (oma) en ‘ongelooflijk toffe botten’ (laarsjes).

Neem er vervolgens even deze alinea bij:

Het leven gelijk het leven in Vlaanderen is, lijkt zich tegenwoordig haast integraal in dit Verkavelingsvlaams af te spelen. Uithangborden in Antwerpse straten sporen automobilisten aan om vaart te minderen met de slogan “Merci om trager te rijden”. Langs de snelwegen waarschuwt het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid diezelfde automobilisten met de boodschap: “Gene zever: binnenkort speekseltest tegen drugs in het verkeer”. En de NMBS promoot haar blue bikes, blauw geverfde fietsen die reizigers kunnen lenen aan stations, met affiches van gefingeerde treinhaltes als ‘de bomma’ en ‘ongelooflijk toffe botten’; de laatste beeldde als bestemming een schoenwinkel af. (De manke usurpator: Over Verkavelingsvlaams, p. 5)

Akkoord: er is wel een inspanning geleverd om de bovenste tekst te doen afwijken van het origineel – tweemaal “overal” in vier woorden? – en Permentier heeft– terecht! ­– de verfoeilijke gallicismen in beschaafd Nederlands vertaald. Maar voorts? Wie drie verschillen kan aanwijzen krijgt van de manke usurpator een goatie saver ten geschenke. Echte ringbaarden kunnen er nooit genoeg zijn.

De genomineerden voor De Manke Usurpator 2010

Op 19 oktober 2010 wordt de allereerste Manke Usurpator uitgereikt (zie ook hier). De gloednieuwe prijs is bestemd voor personen en organisaties die zich verdienstelijk maken in de strijd tegen de Vlaamse tussentaal, beter bekend als Verkavelingsvlaams. Roos van Acker, Mia Doornaert, Marc Reynebeau, Bart De Wever en 200 jaar Vlaamse neerlandistiek haalden de shortlist. De jury licht hieronder haar keuze toe. Het belooft een spannende strijd te worden, aangezien de juryleden in het verleden niet altijd van grote integriteit blijk hebben gegeven. U kunt hen dan ook beslist trachten te beïnvloeden met uw reacties op deze plek of via demankeusurpator@ua.ac.be.

Vooraf nog dit: het reglement van de Manke Usurpator bepaalt dat alleen Nederlandstalige Belgen of Belgische organisaties voor onderscheiding in aanmerking kunnen komen. De organisatoren willen niet miskennen dat sommige Nederlanders zich verdienstelijk hebben getoond in de strijd tegen Vlaamse taalverloedering. Onze noorderbroeders hebben echter kunnen profiteren van hun grote taalvoorsprong op Vlaanderen. De Manke Usurpator wil in de eerste plaats de moed prijzen van Vlamingen die niet te beroerd zijn om de achterstand van hun eigen natie te gispen. De Manke Usurpator is tot slot een louter symbolische blijk van waardering. De initiatiefnemers wijzen erop dat de dankbaarheid van gans het volk niet in euro kan worden uitgedrukt. De plechtige uitreiking van de eerste Manke Usurpator vindt plaats op dinsdag 19 oktober 2010 om 17u in het Hof van Liere (Prinsstraat 13, Antwerpen).

1. Roos van Acker

Televisie- en radiopresentatrice Roos van Acker spreekt niet alleen een Nederlands dat slechts zelden bijsturing behoeft van Jan Hautekiet of Ruud Hendrickx. Ze ademt, zweet en eet die taal. Zo belegt ze haar brood niet met schelletjes, maar met plakjes, eet ze puntbroodjes in plaats van sandwiches en bestelt ze haar frietjes niet in een ordinaire frituur maar in een friettent. Al op tienjarige leeftijd keek ze tv met het Groene Boekje in haar schoot om notoire tussentaalverspreiders als Bart Peeters te kunnen corrigeren. De jury wil Roos van Acker echter in de eerste plaats huldigen omdat ze openlijk durfde te solliciteren naar de functie van VRT-taaladviseur. Met deze uit-de-kast-verschijning stak ze Will Ferdy naar de kroon en schiep ze hip gezoem rond een beroep dat niet altijd de waardering toekomt dat het verdient. Van een ministerschap droomt Roos van Acker nog niet. Als ze evenwel ooit uitvoerende macht van politieke aard verwerft, dan zal ze het adjectief ‘beschaafd’ bij wet herintroduceren tussen Algemeen en Nederlands.

Kenmerkende uitspraak:

“[O]p mijn tiende [zat ik] met het Groene Boekje voor tv om Bart Peeters op verbale uitschuivers te betrappen. Ik verbeterde ook mijn klasgenootjes, stel je voor! Hoe nerdy kan je zijn. Wél verontschuldigde ik me altijd als ik het deed. Omdat ik uit eigen ondervinding wist hoe irritant het kan zijn dat iemand je voor zoiets op de vingers tikt.” (Jobat)

2. Mia Doornaert

De Standaard-columniste en Yves Leterme-adviseur Mia Doornaert heeft ongetwijfeld een rijke en beschaafde woordenschat, maar ‘genade’ heeft ze er zelfbewust uit geschrapt. Geen taalzonde is haar te onbeduidend. Een Gents dienstertje dat een klant durft aan te spreken met ‘jou’ krijgt stante pede drie kaakslagen voor haar grove schendingen tegen onze taalvoorschriften. Overdreven? Mia Doornaert is de oorlog niet begonnen. Enkele jaren geleden werd ze in Antwerpen uitgelachen omdat ze een kopje koffie en broodjes vroeg in plaats van ‘een tas’ en ‘pistoleekes’. Men zou voor minder wraak nemen op de Vlaamse horeca. Vermeld moet nog worden dat Mia Doornaert zich heeft toegelegd op het bedenken van zoveel mogelijk synoniemen voor het Verkavelingsvlaams. Dat leverde al de termen koetervlaams (naar analogie met koeterwaals) en verkavelingsbargoens op. Kortom, voor haar even onverdroten als creatieve verzet tegen het Verkavelingsvlaams eert de jury Mia Doornaert met een nominatie voor de Manke Usurpator.

Kenmerkende uitspraak:

“Het verschil tussen ‘u’ en ‘je’ ontgaat inderdaad de meeste Vlamingen. Je hoort ze ‘u’ zeggen tegen een kind, en een totaal onbekende met ‘je’ aanpreken. Je krijgt mails die beginnen met ‘zeer geachte mevrouw’ en dan ‘jou’ iets vragen. En er komt nauwelijks nog een mail of brief waarin ‘u’ en ‘je’, ‘uw’ en ‘jouw’ niet gruwelijk door elkaar gebruikt worden […] Het onvermogen die vormen uit elkaar te houden maakt deel uit van een algemene taalverloedering.” (De Standaard, 9 november 2009)

3. Marc Reynebeau

Marc Reynebeau heeft de jury kunnen bekoren met zijn campagne tegen de zogenaamde dialectpop die, zoals de historicus al vroeg besefte, de geesten van onze jeugd bederft. De Vlaamse dialectpopzangers zingen namelijk niet in een echt dialect, maar in ‘een tussentaal met een uitgesproken regionale tongval’. Terwijl de simpelen van geest zich laten verblinden door deze schijn van authenticiteit, ziet Marc Reynebeau de zaken zoals ze zijn: ‘taalonvermogen’. Recent etaleerde Reynebeau zijn gevreesde talent voor deconstructie nog eens in een dissectie van het gesprek tussen Godfried Danneels en het slachtoffer van Roger Vangheluwe. De jury oordeelt dat hij alleen daar al een prijs voor verdient.

Kenmerkende uitspraak:

“Dat blijkt het duidelijkst wanneer hij [Danneels] zegt: ‘Ge kunt ook vergiffenis vragen, hé, en uw schuld bekennen.’ Danneels gebruikt daar de tweede persoon enkelvoud als onpersoonlijk voornaamwoord, een synoniem voor ‘men’, waarmee hij niemand concreet bedoelt en het bestaan van een algemene regel suggereert. Dat doet hij nog enkele keren in het gesprek, soms ook met het veralgemenende ‘wij’ (‘We kunnen ook vergiffenis vragen en vergiffenis geven’). Dat verwart het slachtoffer, want wie is die ‘ge’ die vergiffenis moet vragen? […] Het verwarrende gegoochel met persoonlijke voornaamwoorden is deels wellicht een gevolg van de slordigheid die eigen is aan de Vlaamse tussentaal.” (De Standaard, 30 augustus 2010)

4. Bart De Wever

Politicus en historicus Bart De Wever is de vreemde eend in deze bijt. In tegenstelling tot de andere genomineerden kon hij tot dusver nog nooit worden betrapt op een overdreven beschaafd taalgebruik, alle Latijnse spreuken ten spijt. De jury van de Manke Usurpator vond in zijn openlijk beleden schaamte over zijn Verkavelingsberchems niettemin een prima reden om de voorzitter van de Nieuw-Vlaamse Alliantie met een nominatie te belonen. Als niemand anders weet hij dat de Vlaamse weg naar de beschaving met Algemeen Nederlands is geplaveid. (Ander plaveisel doet naar verluidt de Franstaligen in lachen uitbarsten.) Dat de Vlaamse natie in de 21ste eeuw nog altijd met een tussentaal zit opgescheept, grieft hem dan ook diep: ‘Natuurlijk vind ik dat erg. We zijn aan het verantwerpsen.’ De jury draagt De Wever voor als kandidaat voor de Manke Usurpator. Niet voor bewezen diensten, maar als een aansporing om zondebesef om te zetten in de kracht die zal nodig blijken om het Vlaamse volk weer op het pad van glorie te krijgen.

Kenmerkende uitspraak:

“Nivelleren naar boven werd ingeruild voor nivelleren naar beneden, met een enthousiasme alsof diarree de ideale remedie zou zijn voor constipatie. De gevolgen zie je het best aan ons taalgebruik. Het streven naar het doorsijpelen van algemeen Nederlands werd zo goed als opgegeven. Zelfs de openbare omroep vindt het vandaag normaal om populaire series te maken waarin de acteurs een soort tussentaal spreken. Die – mijn gedacht! – gretig ingang vindt. Het resultaat is een veralgemening van een soort randstedelijk Antwerps, gelardeerd met exotische klanken en uitdrukkingen uit andere provincies.” (De Morgen, 16 juli 2007)

5. 200 jaar Vlaamse neerlandistiek

Benno Barnard kan op onwijsheid noch op taalonvermogen worden betrapt. Van hem zijn de gevleugelde woorden dat Vlaanderen ‘in zijn eigen provinciale taalprut’ wegzinkt, en van het Verkavelingsvlaams weet hij dat het uit ‘gediftongeerde braaksimulaties’ bestaat. Toch gaan goede intenties af en toe ten koste van nuance. Neem Barnards hekel aan neerlandici. ‘Ze dienen allemaal in het water te worden geworpen!’, beval de auteur ooit, onmiskenbaar met een eindoplossing voor ogen (al vreesde hij dat het merendeel ‘van pure academische opgeblazenheid’ zou blijven drijven). Barnards voornaamste bezwaar tegen taalkundigen is dat ze dol zijn op verandering: ‘als het volk massaal een bepaalde taalfout begint te maken, staan ze verrukt toe te kijken, als ouders bij hun spelende kinderen’. Kom, kom, dit berust op een misverstand. Taalkundigen houden niet van verandering en van taalfouten gaan ze allerminst uit de bol. Sinds de Belgische onafhankelijkheid hebben neerlandici in Vlaanderen geijverd voor de invoering en het goede gebruik van een beschaafde omgangstaal. En met zo mogelijk nog meer bezieling hebben ze zich ingezet om alle onbeschaafde taalvariëteiten uit te roeien. Opgemerkt dient te worden dat hun verdelgingspogingen niet ten koste gingen van de authentieke schone Vlaamse dialecten. Die werden doorgaans met liefde en begrip bejegend. Nee, lang voor Geert van Istendael bonden neerlandici in Vlaanderen de strijd aan tegen allerlei schaduwtaaltjes die tussen dialect en cultuurtaal woekeren als onkruid. Creolisering mag goed genoeg zijn voor ontwikkelingsgebieden, maar voor een natie die hemelhoog in de vaart der volkeren wil worden opgestoten, liggen de zaken toch enigszins anders.
Voor haar nooit verminderde verantwoordelijkheidszin en haar bereidheid om wetenschap dienstbaar te maken aan het algemene belang, nomineert de jury de Vlaamse neerlandistiek voor de Manke Usurpator. Bij een collectieve prestatie hoort een collectieve nominatie. Zij die zich graag sociolinguïst noemen zijn echter expliciet uitgesloten van de eer. Sociolinguïsten zijn namelijk ‘gevaarlijke mensen, die de beschaving bedreigen en daarom dienen te worden opgesloten in een zonnige kliniek voor geesteszieken’. De woorden zijn wederom van Benno Barnard en in dit geval krijgt hij van de jury overschot van gelijk.

Moeten we dringend opnieuw leren ‘klappen’?

Vandaag in Knack een bijdrage over de kwestie ‘Standaardtaal of Verkavelingsvlaams?’. Met naast een impressie van de recent door de KANTL georganiseerde studiedag, interviews met taalhistoricus Joop van der Horst (KULeuven), schrijver en Verkavelingsvlaams-bestrijder Geert van Istendael en sociolinguïst Jürgen Jaspers (Universiteit Antwerpen).

De mosterd

 “Er is trouwens iets nieuws, iets vuils de taal in de Zuidelijke Nederlanden aan het aantasten, aan het doodknijpen. Het is een manke usurpator in kale kleren, maar hij heeft de verwaandheid en de lompheid van de parvenu. Hij heet Verkavelingsvlaams.
Verkavelingsvlaams, dat is de taal die gesproken wordt in de betere villa’s op de verkavelde grond van onze verminkte dorpen. Het is de taal van de jongens en de meisjes die naar een deftige school gaan en andere kinderen uitlachen omdat die zo onbeschaafd praten.
De woordenschat van die jongens en meisjes is níet plat, o nee, maar ze is arm. Hun zinsbouw is niet dorps, maar krom. Hun uitspraak is niet echt lelijk, maar karakterloos.
Geef mij Hoog-hollands of Boerenmeetjeslands, geef mij Arbeidersgents van de Muide of de Statenvertaling, geef me alles maar dat niet. Van het Verkavelingsvlaams verlos ons Heer!
Bovendien denken die lammelingen dat ze fatsoenlijk Nederlands spreken!
Ze zijn te goed voor dialect en het Hollands haten ze. Ze halen hun neus op voor het goeie, door en door Nederlandse ‘oe-sj-itte-gaë’ (hoe heet-e gij) van het dialect en vragen ‘oe noemde gij’ en antwoorden ‘ik noem Jan’. Wie beweert dat er een verschil is tussen ‘heten’ en ‘noemen’ is een spelbreker en wil Vlaanderen overleveren aan de Hollanders. Het zijn de mensen die vragen ‘wad uur iest’ (‘wat uur is het’, letterlijk ‘quelle heure est-il’) om te weten hoe laat ze naar een Vlaams-nationale vergadering moeten gaan.
Verkavelingsvlaams, het is de taal van een nieuwsoorting, door en door vals Vlaams zelfvertrouwen, het is de taal die uit minachting voor de spraak van gewone mensen en uit angst voor Nederlands geboren is, een wangedrocht is het, die taal van het nieuwe Vlaanderen, dat blaakt van intellectuele luiheid. Het allerergste is dat het waardeloze Verkavelingsvlaams steeds vaker door gewone mensen wordt overgenomen. Hoorde ik laatst de slager niet zeggen: ‘Ik heb e goe contact naar mijne zoon toe?'”
Geert Van Istendael (1993). Het Belgisch labyrint. Wakker worden in een ander land. Amsterdam: De Arbeiderspers.

De manke usurpator

In 1989 constateerde Geert van Istendael in Het Belgisch labyrint of De schoonheid der wanstaltigheid dat er ‘iets vuils’ de taal in de zuidelijke Nederlanden ‘aan het doodknijpen’ was: ‘Het is een manke usurpator in kale kleren, maar hij heeft de verwaandheid en de lompheid van een parvenu. Hij heet “Verkavelingsvlaams”’ (p. 108). De naam van deze usurpator dook al snel op in de nieuwsmedia, drong links en rechts een schoolboek binnen en ging uiteindelijk deel uitmaken van de officiële woordenschat toen Van Dale ‘Verkavelingsvlaams’ definieerde als de ‘informele spreektaal in Nederlandstalig België die geen dialect is maar ook geen Algemeen Nederlands’ (1999, p. 3688).

Het Verkavelingsvlaams wordt gewoonlijk betreurd, verketterd en bestreden. Maar met onze kennis van de door Geert van Istendael zo vervloekte indringer liep het de voorbije twee decennia niet zo’n vaart. De meeste taalkundigen lijken in het begrip Verkavelingsvlaams een stout synoniem voor ‘tussentaal’ te hebben herkend, een term die in de laatste jaren opgeld maakt in het variatielinguïstisch onderzoek naar substandaardisering (zeg maar: de opkomst van een Vlaamse taal die niet de status van een standaard bezit, maar waarvan de functionaliteit veel groter blijkt dan die van dialecten). Maar of tussentaal en Verkavelingsvlaams precies hetzelfde zijn weten ook taalkundigen niet, en evenmin waarom net Verkavelingsvlaams als term zoveel bijval heeft geoogst.  Het debat over Verkavelingsvlaams is daardoor goeddeels blijven hangen in de sfeer van ideologie, opinievorming en bovenal hoogoplaaiende emotie. In 2003 moest Roland Willemyns in Het verhaal van het Vlaams concluderen: ‘Wat Verkavelingsvlaams precies is, daar heeft men eigenlijk […] nog nooit een antwoord op gegeven’ (p. 362).

Om de even gehate als succesvolle usurpator beter te leren kennen, organiseren we aan de Universiteit Antwerpen op 18 en 19 oktober 2010 twee studiedagen. We kijken uit naar taalkundige beschrijvingen en ontledingen van het Verkavelingsvlaams, maar willen de discussie verruimen en verwelkomen in het bijzonder onder meer ook sociologisch, cultuurhistorisch, literatuurwetenschappelijk, taalpedagogisch, (taal)politicologisch en communicatiewetenschappelijk onderzoek. Een kruisbestuiving van disciplines lijkt ons noodzakelijk om te kunnen achterhalen wat het Verkavelingsvlaams is, welke fenomenen ermee worden bedoeld, waar het vandaan komt, waarom het wordt verfoeid, op welke manieren erover wordt gesproken, wie het spreekt of schrijft en waarom.