Belgisch-Nederlands

Ironie op zijn Vlaams

Maar goed dat het internet geen limieten kent. Het is tegenwoordig namelijk nogal dringen om meningen over taal langs de digitale snelweg op de publieke ruimte los te laten.  Sinds enige tijd wordt hier bijvoorbeeld geestdriftig gepoogd om meer respect af te dwingen voor het Belgisch-Nederlands. Zo geestdriftig dat de echo’s zich tot hier hebben voortgeplant en zelfs verder nagalmen in de gedrukte Knack van deze week. Bizar genoeg wordt De Manke Usurpator door deze strijders van het Algemeen Belgisch de mantel uitgeveegd en ondergebracht in het rijtje tussentaalhaters. Zo staat er (link-loos) te lezen:

In october 2010 organiseert het taalkundig department van de Universiteit Antwerpen een conferentie over het Verkavelingsvlaams. Voor hetzelfde geld had men een positieve conferentie over het Belgisch Nederlands kunnen organizeren. Maar, nee, het is blijkbaar typerend voor een bepaald taalonderzoek in België en voor bepaalde opiniemakers dat men liever de doorsnee Vlaming blijft vertellen hoe slecht hij wel spreekt (dat eeuwige Verkavelingsvlaams, die vréééselijke tussentaal!), dan dat er een conferentie zou zijn waarin de rijkdom en diversiteit van het Belgisch Nederlands (met alle “barbarismen”) gevierd wordt.

Onsympathiek vindt de Manke Usurpator het BELNED-initiatief niet, maar zijn gebrek aan zelfrespect kent nog grenzen. Zich op één lijn te zien geplaatst met Geert van Istendael en Marc Reynebeau grieft hem bijvoorbeeld diep. Laat dit de consensus zijn: begrijpend lezen blijft ook in meerstemmige contexten een onmisbare vaardigheid. Om de onzinnigheid van het hierboven aangehaalde citaat te demonstreren een passage uit een eerder verschenen post:

Na tweehonderd jaar taalstrijd gonst het in de Vlaamse publieke ruimte nog altijd van de kaakslagen en het hoogverraad. Intussen regeert krampachtigheid en is het enige wat kennelijk nog altijd niet vanzelf mag spreken het Vlaamse volk, de Vlaamse burger, de gewone Vlaming, de Nederlandstalige Belg, om over nieuwe Belgen nog maar te zwijgen. Om deze ironie te thematiseren, bedachten we een prijs ter aanmoediging van de strijd tegen het Verkavelingsvlaams. Niet omdat wij vinden dat die strijd nog aanmoediging behoeft, maar om op een speelse manier te laten zien hoe krampachtig Vlaanderen omgaat met culturele verschillen en taalvariatie. Ook en misschien wel vooral als die variatie zich van binnenuit manifesteert en zo de homogeniteit van Vlaanderen ter discussie stelt.

Door diverse nominaties toe te kennen konden we laten zien hoe verspreid de weerzin voor Vlaamse tussentaal is. Van het Belgicistische discours van Mia Doornaert, via de links-culturele belgitude van Marc Reynebeau  tot het rechtse flamingantisme van Bart De Wever. Bien étonnés de se trouver ensemble, zouden deze genomineerden gedacht kunnen hebben. Maar in het licht van de geschiedenis verschimt die verbazing. De strijd voor het Algemene Nederlands is namelijk van meet af aan verkocht met een complexe mengeling van kosmopolitische argumenten en etnisch nationalistische. Maar welke idealen men ook voor ogen had: de standaardtaal zoals die in de Noordelijke Nederlanden tot stand was gekomen, zat altijd in het basispakket. De neerlandistiek heeft zich bovendien vaak geleend voor diverse cultuurpolitieke projecten en gaf ze door haar wetenschappelijke aura extra glans en geloofwaardigheid.

Toch is onze Manke Usurpator niet bedacht om af te rekenen met dit verleden. Enkele bijbedenkingen daargelaten hebben wij voor het idealisme van generaties van volksverheffers en taalemancipatoren de grootste bewondering. Bovendien zijn wij ervan overtuigd dat de meeste stemmen die zich tegen vertussentaling verheffen, door goede bedoelingen worden aangejaagd. Ze vrezen dat we zonder het Algemeen Nederlands gedoemd zijn tot culturele minderwaardigheid. Of ze denken dat taalverloedering de voorbode is van een algehele teloorgang van normen en zeden. Hoewel wij niet geloven in die taalverloedering, en hoewel wij het verband tussen taal en morele deugdzaamheid discutabel durven te noemen, willen wij ieders zorgen ernstig nemen.

Te onthouden is vooral dat een ironisch register in Vlaanderen kennelijk nooit zonder risico’s is, zeker niet als het – o ironie – over taal gaat. Zo heeft de Manke Usurpator uit goede bron vernomen dat ook Bart De Wever zich geen raad wist met zijn nominatie voor De Manke Usurpator: was dit nu ernstig bedoeld of niet? Dat twijfels toeslaan zelfs bij de politicus die er volgens menigeen in is geslaagd flamingantisme met ironie  te verzoenen, mag een aanwijzing heten dat ironie hier haar eigen staart in de muil heeft genomen. Daar moeten lessen uit worden getrokken.

Advertenties

De manke usurpator zet een stapje in de wereld

Op donderdag 29 april 2010 werd in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) in Gent een hele dag gedebatteerd over “Belgisch Nederlands in het spanningsveld tussen Verkavelingsvlaams en standaardtaal”. De manke usurpator legde er zijn oor te luisteren.

Joop van der Horst beet de spits af met een lezing waarin hij voortborduurde op de ophefmakende stelling die hij twee jaar geleden lanceerde in zijn boek Het einde van de standaardtaal: de renaissancistische taalcultuur en de standaardtalen die daarvan het product zijn, zijn gedoemd te verdwijnen, en daar valt niet veel aan te doen. Na lezing van het boek noemde Benno Barnard taalkundigen als van der Horst “gevaarlijke gekken, die het liefste alle lichten bij het kruispunt weghalen en vervolgens blijmoedig de botsingen gaan zitten bekijken”, een metafoor die zijn spitsbroeder Geert van Istendael in de KANTL recycleerde in de rede ‘Verkavelingsvlaams: hoe verder?’ Daarin bejubelde hij het Nederlands weliswaar als een “kakelbont” en “zalig anarchistisch zootje” van “wel duizend manieren van spreken, evenveel als er mensen bestaan”, maar die afwijkingen van de norm als even legitieme varianten beschouwen als de norm zelf, laat staan één van die varianten als “Vlaams” betitelen, was voor van Istendael meer dan een brug te ver. Een dergelijk standpunt is behalve onwetenschappelijk en reactionair ook ultraliberaal te noemen, aldus van Istendael: “u gelooft te veel in de vrije markt van de taal”, sprak hij de taalkundigen in het publiek vermanend toe, en hij drukte hen op het hart dat onze taal “gesnoeid, bemest en geleid” moet worden, anders is het binnen afzienbare tijd met onze taal gedaan.

Van Istendaels pleidooi voor het betere taaltuinierwerk werd op enthousiast applaus onthaald door het KANTL-publiek. Dat bleek voor een groot deel te bestaan uit bezorgde taalliefhebbers, die het Nederlands ten onder zien gaan aan het gestaag voortwoekerende Verkavelingsvlaams, en in de KANTL hoopten enig soelaas te vinden: een plek om het hart te luchten en, als het even meezat, ook enkele gemotiveerde taalhoveniers die bereid zouden zijn de snoeischaar te hanteren.

En het zát mee. Van der Horsts betoog tegen taalpolitiek ingrijpen van taalkundigen mocht de gemoederen dan wat verhit hebben, het publiek vond geruststelling dankzij het vrijwel eensgezinde pleit van de overige taalkundigen die de revue passeerden voor het behoud van één norm voor het Nederlands, op de openbare omroep (VRT-taaladviseur Ruud Hendrickx), in woordenboeken (Peter Debrabandere) en in het onderwijs van het Nederlands in ons grote buitenland (Ann Marynissen, Joseph Vromans). Voorbeelden van “buitenlandse desinformatie” waarin gewag werd gemaakt van “de Vlaamse taal, een variant van het Nederlands” werden door het publiek op luid hoongelach onthaald, tegen de bierkaai vechtende leerkrachten Nederlands kregen een hart onder de riem en werden aangemoedigd om door te gaan “tot ze erbij neervallen”, en Ruud Hendrickx kreeg warme steunbetuigingen uit het publiek om het Standaardnederlands op de omroep van de oprukkende brabantisering te blijven vrijwaren.

Niettemin gingen vrijwel alle sprekers er van uit dat het Belgisch Nederlands toch dat tikkeltje anders is en mag zijn dan het Noordnederlands, en dan met name in zijn woordenschat. Zo durfde Dirk Geeraerts te spreken van een ‘Algemeen Belgisch Nederlands’, er aan toevoegend dat die variëteit duidelijk onderscheidbaar is van het Verkavelingsvlaams. Het was Peter Debrabandere die vervolgens de vinger op de wonde legde, door enkele ‘typisch Belgische’ lemmata en hun behandeling in een resem verklarende woordenboeken en taaladviesbronnen eens op een rijtje te zetten. Over de status van woorden en uitdrukkingen als aan x euro, magazijnier, wandelen sturen, legislatuur en de boeken neerleggen bleken de makers van die werken het allerminst eens te zijn.

De manke usurpator stond er bij en keek er naar. Vrijwel unisono weerklonk die donderdag in de KANTL de overtuiging dat “een norm nodig is”. Maar hoe die norm er dan uitziet of moet uitzien, en waar precies de grens ligt tussen het ‘verzorgde’ Belgische Nederlands en het te mijden Verkavelingsvlaams: het bleef allemaal een beetje flou, net als vragen waar de norm vandaan komt, wie hem bepaalt, en op basis van welke criteria. Enkele sprekers deden een poging door Algemeen Belgisch Nederlands te definiëren als die taalelementen die “in Vlaanderen als normatief gelden”, al dan niet gevolgd door het vertrouwde “bij de spraakmakende gemeente”. Zulke pogingen tot een wat descriptievere benadering van de norm (‘de norm is wat (al dan niet spraakmakende) taalgebruikers als normatief aanvoelen’) zijn vanzelfsprekend lovenswaardig. Maar voelen taalgebruikers iets zo maar als ‘norm’ aan? Halen ze die normopvattingen niet altijd ergens vandaan, bijvoorbeeld uit de woordenboeken en adviezen die Debrabandere opsomde, en gebeurt ultiem de schifting tussen wat tot het ‘verzorgde Belgisch Nederlands’ en wat tot het ‘Verkavelingsvlaams’ behoort, niet door het selecte clubje dat die woordenboeken en taaladviezen maakt? Het lijkt er soms op dat taaladviseurs en woordenboekmakers zich wel laten leiden door de frequentie en de distributie van bepaalde uitdrukkingen, maar zich vervolgens toch genoodzaakt voelen om zelf te beslissen of die tot de norm mogen behoren of niet (en daarbij kunnen ze duidelijk al eens van mening verschillen). Of hoe kan er anders nog zoiets bestaan als “een frequente fout”? Waarom anders blijft men pakweg het pronomen gij, waarvan zowat alle Vlamingen zich bedienen, behalve dan dat handvol dat zich die donderdag in de KANTL bevond, als Verkavelingsvlaams bestempelen?

Het colloquium leverde tal van boeiende discussies op en was een groot succes. Alleen al de grote opkomst bewees dat het thema Verkavelingsvlaams, twintig jaar nadat het begrip door Geert van Istendael werd bedacht, de geesten nog altijd beroert. Uit de lezingen en de discussies bleek een oprechte bezorgdheid en een grote strijdvaardigheid, maar tegelijk ook heel wat onzekerheid. Ook de manke usurpator bleef na een dagje KANTL met vragen achter. Onder andere deze: als we het er allemaal over eens zijn dat we normen nodig hebben, moeten we ons dan niet eens beginnen af te vragen wat voor normen we dan wel willen? Hoe in- of exclusief mogen ze zijn? En wie mag dat bepalen? Of nog: waar moet de haag om onze taaltuin geplant worden? Hoe fors moet er gewied worden? Mag de tuin misschien ietsje wilder dan voorheen? En aan wie kunnen we de snoeischaar toevertrouwen?

Verkavelingsvlaams is in!

Het fenomeen Verkavelingsvlaams staat meer dan ooit in de belangstelling. Morgen organiseert de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde een colloquium onder de titel ‘Belgisch-Nederlands in het spanningsveld tussen Verkavelingsvlaams en standaardtaal’. Sprekers zijn onder meer de Leuvense taalhistoricus Joop van der Horst (KULeuven) en VRT-taaladviseur Ruud Hendrickx. Twintig jaar nadat hij onze taal met het begrip Verkavelingsvlaams verrijkte buigt Geert van Istendael zich  over de vraag:  ‘hoe verder?’ .  De Manke Usurpator zal aandachtig luisteren en op deze plek naderhand een en ander over zijn indrukken vertellen.

Alle informatie over het KANTL-colloquium vind je hier.