Bart De Wever

Indianenverhaal

Op de nieuwssite Apache verscheen op 17 april 2014 een interview met Kevin Absillis, over Verkavelingsvlaams, Algemeen Nederlands, Bart De Wever, Vlaamse kunstenaars en nog wat. Een fragment:

Samen met Jürgen Jaspers en Sarah Van Hoof stelde Absillis een bundel samen over de tussentaal in Vlaanderen, oftewel het Verkavelingsvlaams. Ze tornden met veel bombarie aan het algemeen Nederlands of de standaardtaal en daarmee riepen ze een vloek over zichzelf af van mensen als Geert van Istendael en Mia Doornaert. In het debat dat volgde konden ze maar weinig steun vinden. Taal ligt in de 21e eeuw in Vlaanderen nog steeds heel erg gevoelig.

[Absillis:] Er bestond veel verwarring over wat wij precies verdedigden: mensen dachten dat we het Standaardnederlands wilden afvoeren en tussentaal introduceren als nieuwe norm. Dat is natuurlijk niet zo. Wij wilden enkel evidente vragen stellen over taal in Vlaanderen. Welk Nederlands mogen we verwachten van mensen met een migratie-achtergrond? Welk niveau moeten studenten hebben na zes jaar middelbaar onderwijs? Het minimum moet zijn dat iedereen op een volwaardige manier aan de democratie kan deelnemen. Mensen moeten de communicatie van de overheid begrijpen, en met die overheid ook in dialoog kunnen gaan. Dat is elementair. Maar moeten we daarnaast van iedereen dezelfde beheersing van AN verwachten? Hoe zinvol is dat?

Is het niet de ambitie van ons onderwijssysteem om iedereen Standaardnederlands te leren?

Ik ben afgestudeerd in een richting waar wij in de laatste twee jaren nog twee uur wiskunde kregen per week. Dat maakt van mij eigenlijk een wiskundige analfabeet. Maar er is helemaal niemand die daar zwaar aan tilt. Als de Vlaamse overheid echt wil dat we met zijn allen Standaardnederlands kunnen schrijven en spreken zoals het sommigen voor ogen staat, dan moeten we de uren Nederlands in het middelbaar minstens verdubbelen. Ten koste waarvan zullen we dat organiseren?

Taal is misschien wel belangrijker dan wiskunde.

Ja, dat vind ik natuurlijk ook. En ik wil ook nog wel eens dromen dat iedereen zich kan uitdrukken in een verzorgde en rijk geschakeerde taal, maar we moeten daar realistisch in zijn. In de praktijk ontbreken daarvoor de tijd, de energie, het geld, en als het er echt op aan komt ook de politieke wil. Terzelfder tijd worden in de publieke ruimte wel allerlei onrealistische verwachtingen openlijk gekoesterd en dat schept problemen. Denk aan nieuwe Belgen: wanneer spreken zij voldoende Nederlands om te worden aanvaard in de samenleving? Bij de VRT is een licht accent vaak zelfs al een probleem. Gevolg: mensen met een migratieachtergrond komen amper in aanmerking om een programma te presenteren. Let wel: dat is niet alleen de verantwoordelijkheid van de VRT. Enquête na enquête wijst uit dat de gemiddelde Vlaming heel weinig tolerant is voor accentvariatie op de openbare omroep. Of neem mensen die op school nooit de kans hebben gehad om de Standaardtaal tot in de puntjes aangeleerd te krijgen. Of mensen die er gewoon het talent niet voor hebben, die bestaan ook. Moeten die mensen daarvoor nog eens extra worden gestraft?

Wil de overheid geen geld investeren in taalonderwijs?

Er is in ieder geval iets vreemds aan de hand met de politieke partijen die taalonderwijs, zeker voor nieuwkomers, belangrijk zeggen te vinden. Het eerste wat opvalt is dat je die politici zelden of nooit Algemeen Nederlands hoort praten, en echt geïnteresseerd in de culturele emancipatie van mensen lijken ze ook al niet. Integreren betekent in de eerste plaats toch, behalve zo weinig mogelijk ‘overlast’ veroorzaken, economisch nuttig zijn. De grap is natuurlijk dat de economische emancipatie van de Vlaming geen enkel verband vertoont met diens beheersing van het AN. Vele opiniemakers vinden toch dat bankiers, bedrijfsleiders, politici en noem maar op schabouwelijk Nederlands praten. Ze spugen taal, zou Hugo Camps schrijven. De paradox is natuurlijk dat het hier over in maatschappelijke termen bijzonder sterk geëmancipeerde mensen gaat. Met andere woorden: wie in Vlaanderen succesvol wil zijn, heeft dat algemeen Nederlands blijkbaar helemaal niet nodig. Dat geldt eigenlijk ook voor de cultuurwereld. Wat heb je aan onze standaardtaal als je vandaag naar het theater gaat? Niet veel. Of probeer Boon, van Ostaijen of Conscience eens te lezen: ook de taal van hun werk wijkt behoorlijk af van het algemeen Nederlands.

Toch werden jullie door een schrijver als Dimitri Verhulst hard aangevallen.

Ja, terwijl zijn boeken geschreven zijn in een soort Verkavelingsvlaams, deels ongetwijfeld bewust, maar deels zeker ook onbewust. Hij windt zich er trouwens openlijk over op dat zijn Noord-Nederlandse redacteur Belgische of dialectische uitdrukkingen uit zijn teksten probeert te halen. Maar, goed, na de publicatie van ons boek viel iederéén ons aan. Men beweerde dat wij kansarme mensen wilden opsluiten in hun getto van slecht Nederlands en afschermen van een geprivilegieerde cultuur. Maar in werkelijkheid hoor je in de privésfeer en in de publieke ruimte almaar minder algemeen Nederlands.

Er bestaat een taboe om tussentaal te bediscussiëren, maar iedereen spreekt het al.

Dat is het schizofrene aan de discussie in Vlaanderen. En nog iets dubbelhartigs aan dit hele debat: de meest progressieve geesten, die in andere discussies zo uitblinken in anti-Vlaams-nationalisme, staan in het taaldebat arm in arm met N-VA’ers en Vlaams Belangers.

Waarom?

De taalstrijd is begonnen met de Vlaamse beweging en stoelt op een minderwaardigheidscomplex. Vlamingen wilden het Nederlands perfect beheersen omdat ze anders bang waren om de karikatuur te worden die het Franstalige establishment graag van hen maakte: boertjes die zich onvolmaakt uitdrukten. Historisch is die strijd begrijpelijk, maar vandaag is die krampachtigheid rond taal in Vlaanderen echt niet meer zinvol.

Wordt niet net die tussentaal door progressieven gezien als een symbool van het nieuwe en sterke Vlaanderen waar zij zich niet in herkennen?

Dat klopt. De haat voor tussentaal van sommige intellectuelen steunt vooral op associaties met de ‘fermettecultuur’ van de zogenaamd ‘zelfgenoegzame’, ‘vadsige’ Vlaming. Niet toevallig is die tussentaal bekend geworden als Verkavelingsvlaams. En vandaag wordt die vadsige, patserige Vlaming al snel geïdentificeerd als de modale N-VA-kiezer. De grap is andermaal dat de N-VA, tenminste officieel, de taal van de gemiddelde Vlaming ook een gedrocht vindt. De Vlaamse beweging kan niet anders dan hierin een mislukking van de taalstrijd zien. De angst voor Vlaming die zich afkeert van het beschaafde Noorden en zich op sluit in zijn ‘provincialisme’, dat is vintage flamingantisme! Een N-VA’er als Geert Bourgeois zal het Standaardnederlands minstens zo hevig verdedigen als de culturele elite. Ook Bart De Wever doet dat trouwens, terwijl die uiteindelijk een soort van verkavelingsmortsels spreekt.
Het was overigens een Vlaams Belanger die naar aanleiding van ons boek vragen heeft gesteld in het Vlaamse parlement over de tussentaal. En alle partijen hebben zijn bezorgdheid over het voortbestaan van het Standaardnederlands netjes beaamd. In de praktijk is AN geen prioriteit, maar als symbool blijft het een kwestie van leven of dood. Ook vele Vlamingen geven in onderzoeken aan het Standaardnederlands belangrijk en waardevol te vinden, terwijl ze het meestal zelf niet kunnen spreken.’

Lees verder op: http://www.apache.be.

Eten op zijn Vlaams

Als de komkommers in bloei schieten en de tourkaravaan zich op gang trekt, wil de pers nog wel eens ruimte maken voor wat intergalactische promotie van de Groot-Nederlandse cultuur. Zo mochten enkele vertegenwoordigers van de Dietse Erfdeelunie dit weekend in De Standaard hun eigen initiatieven “visionair” noemen (sic, nee maar heus). En het doel heiligde dit weekend nog eens de middelen, want de visies mochten zelfs in het Engels worden uitgedrukt: “Als Vlaanderen en Nederland geen imagined community kunnen worden, laat ze dan tenminste proberen een intentional community te zijn.”

In intentionele gemeenschap heeft de Nederlandse recensent van het kookboek van Jeroen Meus alvast maar weinig trek.  Compleet onverstaanbare troep, deze Vlaamse Dagelijkse kost. De recensent vindt dat de uitgever dit kookboek had moeten ‘vertalen’, een idee dat Peter Jacobs vandaag van zijn melk bracht.

Als digestief kan worden opgediend dat het werkwoord jossen ondanks Bart De Wevers intussen legendarische uithaal (zie eerder bericht) aan een onstuitbare opmars bezig is. Zelfs Siegfried Bracke heeft nu de smaak te pakken.

Gejost

Het mag heus van de Taalunie: het woord ‘sceptisch’ zonder k-klank formuleren. Het pleit dan ook voor de journalisten van de VRT dat ze van de hun toegestane bewegingsvrijheid optimaal gebruik maken om komisch effect te sorteren. Zo viel gisteren zowel in het journaal als in Ter Zake te vernemen dat Bart De Wever septisch blijft over de slaagkansen van de nieuwe formateur. In de vervolgens vertoonde reportage beende de N-VA-voorzitter met een bedrukt gezicht een meute journalisten voorbij om het kleinste kamertje binnen te glippen. Hoe septisch kan een reportage aanvangen? En dit is nog maar het begin!  Want de aanwezige journalisten laten zich niet in de wind zetten en wachten voor het gemak tot De Wever enige verlossing heeft kunnen genieten. Met een onfeilbaar gevoel voor timing en goede smaak durft een door de manke usurpator niet herkende journalist het hierop nog aan om De Wever te confronteren met de vraag of hij zich niet “gejost voelt door het paleis”. Een dosis sepsis is zijn deel. De Wever:

“Het woord jossen is volgens mij tussentaal die niet tot de Nederlandse spraak behoort. Ik ga daar niet op antwoorden.”

Ironie op zijn Vlaams

Maar goed dat het internet geen limieten kent. Het is tegenwoordig namelijk nogal dringen om meningen over taal langs de digitale snelweg op de publieke ruimte los te laten.  Sinds enige tijd wordt hier bijvoorbeeld geestdriftig gepoogd om meer respect af te dwingen voor het Belgisch-Nederlands. Zo geestdriftig dat de echo’s zich tot hier hebben voortgeplant en zelfs verder nagalmen in de gedrukte Knack van deze week. Bizar genoeg wordt De Manke Usurpator door deze strijders van het Algemeen Belgisch de mantel uitgeveegd en ondergebracht in het rijtje tussentaalhaters. Zo staat er (link-loos) te lezen:

In october 2010 organiseert het taalkundig department van de Universiteit Antwerpen een conferentie over het Verkavelingsvlaams. Voor hetzelfde geld had men een positieve conferentie over het Belgisch Nederlands kunnen organizeren. Maar, nee, het is blijkbaar typerend voor een bepaald taalonderzoek in België en voor bepaalde opiniemakers dat men liever de doorsnee Vlaming blijft vertellen hoe slecht hij wel spreekt (dat eeuwige Verkavelingsvlaams, die vréééselijke tussentaal!), dan dat er een conferentie zou zijn waarin de rijkdom en diversiteit van het Belgisch Nederlands (met alle “barbarismen”) gevierd wordt.

Onsympathiek vindt de Manke Usurpator het BELNED-initiatief niet, maar zijn gebrek aan zelfrespect kent nog grenzen. Zich op één lijn te zien geplaatst met Geert van Istendael en Marc Reynebeau grieft hem bijvoorbeeld diep. Laat dit de consensus zijn: begrijpend lezen blijft ook in meerstemmige contexten een onmisbare vaardigheid. Om de onzinnigheid van het hierboven aangehaalde citaat te demonstreren een passage uit een eerder verschenen post:

Na tweehonderd jaar taalstrijd gonst het in de Vlaamse publieke ruimte nog altijd van de kaakslagen en het hoogverraad. Intussen regeert krampachtigheid en is het enige wat kennelijk nog altijd niet vanzelf mag spreken het Vlaamse volk, de Vlaamse burger, de gewone Vlaming, de Nederlandstalige Belg, om over nieuwe Belgen nog maar te zwijgen. Om deze ironie te thematiseren, bedachten we een prijs ter aanmoediging van de strijd tegen het Verkavelingsvlaams. Niet omdat wij vinden dat die strijd nog aanmoediging behoeft, maar om op een speelse manier te laten zien hoe krampachtig Vlaanderen omgaat met culturele verschillen en taalvariatie. Ook en misschien wel vooral als die variatie zich van binnenuit manifesteert en zo de homogeniteit van Vlaanderen ter discussie stelt.

Door diverse nominaties toe te kennen konden we laten zien hoe verspreid de weerzin voor Vlaamse tussentaal is. Van het Belgicistische discours van Mia Doornaert, via de links-culturele belgitude van Marc Reynebeau  tot het rechtse flamingantisme van Bart De Wever. Bien étonnés de se trouver ensemble, zouden deze genomineerden gedacht kunnen hebben. Maar in het licht van de geschiedenis verschimt die verbazing. De strijd voor het Algemene Nederlands is namelijk van meet af aan verkocht met een complexe mengeling van kosmopolitische argumenten en etnisch nationalistische. Maar welke idealen men ook voor ogen had: de standaardtaal zoals die in de Noordelijke Nederlanden tot stand was gekomen, zat altijd in het basispakket. De neerlandistiek heeft zich bovendien vaak geleend voor diverse cultuurpolitieke projecten en gaf ze door haar wetenschappelijke aura extra glans en geloofwaardigheid.

Toch is onze Manke Usurpator niet bedacht om af te rekenen met dit verleden. Enkele bijbedenkingen daargelaten hebben wij voor het idealisme van generaties van volksverheffers en taalemancipatoren de grootste bewondering. Bovendien zijn wij ervan overtuigd dat de meeste stemmen die zich tegen vertussentaling verheffen, door goede bedoelingen worden aangejaagd. Ze vrezen dat we zonder het Algemeen Nederlands gedoemd zijn tot culturele minderwaardigheid. Of ze denken dat taalverloedering de voorbode is van een algehele teloorgang van normen en zeden. Hoewel wij niet geloven in die taalverloedering, en hoewel wij het verband tussen taal en morele deugdzaamheid discutabel durven te noemen, willen wij ieders zorgen ernstig nemen.

Te onthouden is vooral dat een ironisch register in Vlaanderen kennelijk nooit zonder risico’s is, zeker niet als het – o ironie – over taal gaat. Zo heeft de Manke Usurpator uit goede bron vernomen dat ook Bart De Wever zich geen raad wist met zijn nominatie voor De Manke Usurpator: was dit nu ernstig bedoeld of niet? Dat twijfels toeslaan zelfs bij de politicus die er volgens menigeen in is geslaagd flamingantisme met ironie  te verzoenen, mag een aanwijzing heten dat ironie hier haar eigen staart in de muil heeft genomen. Daar moeten lessen uit worden getrokken.

De genomineerden voor De Manke Usurpator 2010

Op 19 oktober 2010 wordt de allereerste Manke Usurpator uitgereikt (zie ook hier). De gloednieuwe prijs is bestemd voor personen en organisaties die zich verdienstelijk maken in de strijd tegen de Vlaamse tussentaal, beter bekend als Verkavelingsvlaams. Roos van Acker, Mia Doornaert, Marc Reynebeau, Bart De Wever en 200 jaar Vlaamse neerlandistiek haalden de shortlist. De jury licht hieronder haar keuze toe. Het belooft een spannende strijd te worden, aangezien de juryleden in het verleden niet altijd van grote integriteit blijk hebben gegeven. U kunt hen dan ook beslist trachten te beïnvloeden met uw reacties op deze plek of via demankeusurpator@ua.ac.be.

Vooraf nog dit: het reglement van de Manke Usurpator bepaalt dat alleen Nederlandstalige Belgen of Belgische organisaties voor onderscheiding in aanmerking kunnen komen. De organisatoren willen niet miskennen dat sommige Nederlanders zich verdienstelijk hebben getoond in de strijd tegen Vlaamse taalverloedering. Onze noorderbroeders hebben echter kunnen profiteren van hun grote taalvoorsprong op Vlaanderen. De Manke Usurpator wil in de eerste plaats de moed prijzen van Vlamingen die niet te beroerd zijn om de achterstand van hun eigen natie te gispen. De Manke Usurpator is tot slot een louter symbolische blijk van waardering. De initiatiefnemers wijzen erop dat de dankbaarheid van gans het volk niet in euro kan worden uitgedrukt. De plechtige uitreiking van de eerste Manke Usurpator vindt plaats op dinsdag 19 oktober 2010 om 17u in het Hof van Liere (Prinsstraat 13, Antwerpen).

1. Roos van Acker

Televisie- en radiopresentatrice Roos van Acker spreekt niet alleen een Nederlands dat slechts zelden bijsturing behoeft van Jan Hautekiet of Ruud Hendrickx. Ze ademt, zweet en eet die taal. Zo belegt ze haar brood niet met schelletjes, maar met plakjes, eet ze puntbroodjes in plaats van sandwiches en bestelt ze haar frietjes niet in een ordinaire frituur maar in een friettent. Al op tienjarige leeftijd keek ze tv met het Groene Boekje in haar schoot om notoire tussentaalverspreiders als Bart Peeters te kunnen corrigeren. De jury wil Roos van Acker echter in de eerste plaats huldigen omdat ze openlijk durfde te solliciteren naar de functie van VRT-taaladviseur. Met deze uit-de-kast-verschijning stak ze Will Ferdy naar de kroon en schiep ze hip gezoem rond een beroep dat niet altijd de waardering toekomt dat het verdient. Van een ministerschap droomt Roos van Acker nog niet. Als ze evenwel ooit uitvoerende macht van politieke aard verwerft, dan zal ze het adjectief ‘beschaafd’ bij wet herintroduceren tussen Algemeen en Nederlands.

Kenmerkende uitspraak:

“[O]p mijn tiende [zat ik] met het Groene Boekje voor tv om Bart Peeters op verbale uitschuivers te betrappen. Ik verbeterde ook mijn klasgenootjes, stel je voor! Hoe nerdy kan je zijn. Wél verontschuldigde ik me altijd als ik het deed. Omdat ik uit eigen ondervinding wist hoe irritant het kan zijn dat iemand je voor zoiets op de vingers tikt.” (Jobat)

2. Mia Doornaert

De Standaard-columniste en Yves Leterme-adviseur Mia Doornaert heeft ongetwijfeld een rijke en beschaafde woordenschat, maar ‘genade’ heeft ze er zelfbewust uit geschrapt. Geen taalzonde is haar te onbeduidend. Een Gents dienstertje dat een klant durft aan te spreken met ‘jou’ krijgt stante pede drie kaakslagen voor haar grove schendingen tegen onze taalvoorschriften. Overdreven? Mia Doornaert is de oorlog niet begonnen. Enkele jaren geleden werd ze in Antwerpen uitgelachen omdat ze een kopje koffie en broodjes vroeg in plaats van ‘een tas’ en ‘pistoleekes’. Men zou voor minder wraak nemen op de Vlaamse horeca. Vermeld moet nog worden dat Mia Doornaert zich heeft toegelegd op het bedenken van zoveel mogelijk synoniemen voor het Verkavelingsvlaams. Dat leverde al de termen koetervlaams (naar analogie met koeterwaals) en verkavelingsbargoens op. Kortom, voor haar even onverdroten als creatieve verzet tegen het Verkavelingsvlaams eert de jury Mia Doornaert met een nominatie voor de Manke Usurpator.

Kenmerkende uitspraak:

“Het verschil tussen ‘u’ en ‘je’ ontgaat inderdaad de meeste Vlamingen. Je hoort ze ‘u’ zeggen tegen een kind, en een totaal onbekende met ‘je’ aanpreken. Je krijgt mails die beginnen met ‘zeer geachte mevrouw’ en dan ‘jou’ iets vragen. En er komt nauwelijks nog een mail of brief waarin ‘u’ en ‘je’, ‘uw’ en ‘jouw’ niet gruwelijk door elkaar gebruikt worden […] Het onvermogen die vormen uit elkaar te houden maakt deel uit van een algemene taalverloedering.” (De Standaard, 9 november 2009)

3. Marc Reynebeau

Marc Reynebeau heeft de jury kunnen bekoren met zijn campagne tegen de zogenaamde dialectpop die, zoals de historicus al vroeg besefte, de geesten van onze jeugd bederft. De Vlaamse dialectpopzangers zingen namelijk niet in een echt dialect, maar in ‘een tussentaal met een uitgesproken regionale tongval’. Terwijl de simpelen van geest zich laten verblinden door deze schijn van authenticiteit, ziet Marc Reynebeau de zaken zoals ze zijn: ‘taalonvermogen’. Recent etaleerde Reynebeau zijn gevreesde talent voor deconstructie nog eens in een dissectie van het gesprek tussen Godfried Danneels en het slachtoffer van Roger Vangheluwe. De jury oordeelt dat hij alleen daar al een prijs voor verdient.

Kenmerkende uitspraak:

“Dat blijkt het duidelijkst wanneer hij [Danneels] zegt: ‘Ge kunt ook vergiffenis vragen, hé, en uw schuld bekennen.’ Danneels gebruikt daar de tweede persoon enkelvoud als onpersoonlijk voornaamwoord, een synoniem voor ‘men’, waarmee hij niemand concreet bedoelt en het bestaan van een algemene regel suggereert. Dat doet hij nog enkele keren in het gesprek, soms ook met het veralgemenende ‘wij’ (‘We kunnen ook vergiffenis vragen en vergiffenis geven’). Dat verwart het slachtoffer, want wie is die ‘ge’ die vergiffenis moet vragen? […] Het verwarrende gegoochel met persoonlijke voornaamwoorden is deels wellicht een gevolg van de slordigheid die eigen is aan de Vlaamse tussentaal.” (De Standaard, 30 augustus 2010)

4. Bart De Wever

Politicus en historicus Bart De Wever is de vreemde eend in deze bijt. In tegenstelling tot de andere genomineerden kon hij tot dusver nog nooit worden betrapt op een overdreven beschaafd taalgebruik, alle Latijnse spreuken ten spijt. De jury van de Manke Usurpator vond in zijn openlijk beleden schaamte over zijn Verkavelingsberchems niettemin een prima reden om de voorzitter van de Nieuw-Vlaamse Alliantie met een nominatie te belonen. Als niemand anders weet hij dat de Vlaamse weg naar de beschaving met Algemeen Nederlands is geplaveid. (Ander plaveisel doet naar verluidt de Franstaligen in lachen uitbarsten.) Dat de Vlaamse natie in de 21ste eeuw nog altijd met een tussentaal zit opgescheept, grieft hem dan ook diep: ‘Natuurlijk vind ik dat erg. We zijn aan het verantwerpsen.’ De jury draagt De Wever voor als kandidaat voor de Manke Usurpator. Niet voor bewezen diensten, maar als een aansporing om zondebesef om te zetten in de kracht die zal nodig blijken om het Vlaamse volk weer op het pad van glorie te krijgen.

Kenmerkende uitspraak:

“Nivelleren naar boven werd ingeruild voor nivelleren naar beneden, met een enthousiasme alsof diarree de ideale remedie zou zijn voor constipatie. De gevolgen zie je het best aan ons taalgebruik. Het streven naar het doorsijpelen van algemeen Nederlands werd zo goed als opgegeven. Zelfs de openbare omroep vindt het vandaag normaal om populaire series te maken waarin de acteurs een soort tussentaal spreken. Die – mijn gedacht! – gretig ingang vindt. Het resultaat is een veralgemening van een soort randstedelijk Antwerps, gelardeerd met exotische klanken en uitdrukkingen uit andere provincies.” (De Morgen, 16 juli 2007)

5. 200 jaar Vlaamse neerlandistiek

Benno Barnard kan op onwijsheid noch op taalonvermogen worden betrapt. Van hem zijn de gevleugelde woorden dat Vlaanderen ‘in zijn eigen provinciale taalprut’ wegzinkt, en van het Verkavelingsvlaams weet hij dat het uit ‘gediftongeerde braaksimulaties’ bestaat. Toch gaan goede intenties af en toe ten koste van nuance. Neem Barnards hekel aan neerlandici. ‘Ze dienen allemaal in het water te worden geworpen!’, beval de auteur ooit, onmiskenbaar met een eindoplossing voor ogen (al vreesde hij dat het merendeel ‘van pure academische opgeblazenheid’ zou blijven drijven). Barnards voornaamste bezwaar tegen taalkundigen is dat ze dol zijn op verandering: ‘als het volk massaal een bepaalde taalfout begint te maken, staan ze verrukt toe te kijken, als ouders bij hun spelende kinderen’. Kom, kom, dit berust op een misverstand. Taalkundigen houden niet van verandering en van taalfouten gaan ze allerminst uit de bol. Sinds de Belgische onafhankelijkheid hebben neerlandici in Vlaanderen geijverd voor de invoering en het goede gebruik van een beschaafde omgangstaal. En met zo mogelijk nog meer bezieling hebben ze zich ingezet om alle onbeschaafde taalvariëteiten uit te roeien. Opgemerkt dient te worden dat hun verdelgingspogingen niet ten koste gingen van de authentieke schone Vlaamse dialecten. Die werden doorgaans met liefde en begrip bejegend. Nee, lang voor Geert van Istendael bonden neerlandici in Vlaanderen de strijd aan tegen allerlei schaduwtaaltjes die tussen dialect en cultuurtaal woekeren als onkruid. Creolisering mag goed genoeg zijn voor ontwikkelingsgebieden, maar voor een natie die hemelhoog in de vaart der volkeren wil worden opgestoten, liggen de zaken toch enigszins anders.
Voor haar nooit verminderde verantwoordelijkheidszin en haar bereidheid om wetenschap dienstbaar te maken aan het algemene belang, nomineert de jury de Vlaamse neerlandistiek voor de Manke Usurpator. Bij een collectieve prestatie hoort een collectieve nominatie. Zij die zich graag sociolinguïst noemen zijn echter expliciet uitgesloten van de eer. Sociolinguïsten zijn namelijk ‘gevaarlijke mensen, die de beschaving bedreigen en daarom dienen te worden opgesloten in een zonnige kliniek voor geesteszieken’. De woorden zijn wederom van Benno Barnard en in dit geval krijgt hij van de jury overschot van gelijk.

Helaas te weinig prioriteit

Men zou het bij haar vurige pleidooi voor het behoud van een Belgische identiteit over het hoofd gaan zien, maar Doornaerts opvattingen over taal en taalgebruik in Vlaanderen stemmen, behalve met zowat iedereen die al eens door de megafoon van Vlaamse media mag spreken, ook overeen met die van de Vlaamse republikein Bart De Wever. Zo noteerde de voorzitter van de NV-A drie jaar geleden in De Morgen in een overigens best geestige column:

‘Als we jongeren vandaag cultureel van onderuit moeten benaderen, is dat immers het resultaat van 40 jaar de verkeerde richting uitfietsen. Nivelleren naar boven werd ingeruild voor nivelleren naar beneden, met een enthousiasme alsof diarree de ideale remedie zou zijn voor constipatie. De gevolgen zie je het best aan ons taalgebruik. Het streven naar het doorsijpelen van algemeen Nederlands werd zo goed als opgegeven. Zelfs de openbare omroep vindt het vandaag normaal om populaire series te maken waarin de acteurs een soort tussentaal spreken. Die – mijn gedacht! – gretig ingang vindt. Het resultaat is een veralgemening van een soort randstedelijk Antwerps, gelardeerd met exotische klanken en uitdrukkingen uit andere provincies.’ (‘Wie echt cool is, heeft Bert Anciaux niet nodig’, in: De Morgen, 16 juli 2007)

Schizofreen genoeg bedient De Wever zich zelf bij iedere publieke gelegenheid van een ‘soort randstedelijk Antwerps’ – Johan Taeldeman zou wellicht spreken van Verkavelingsberchems. Voor Vlaanderens onvoltooid gebleven taalemancipatie gaf De Wever drie jaar geleden in gesprek met Benno Barnard en Geert van Istendael volgende verklaring:

‘De generatie van Wilfried Martens [“luctor et emergo” – dmu] begon Algemeen Nederlands te spreken, en dat was een bewuste daad van verzet, een daad van volksverheffing, om Vlaanderen uit de klei te trekken. Maar door de economische machtsverschuiving in de jaren zestig is Vlaanderen zich op zichzelf gaan richten, zonder dat die taalkundige omslag was voltooid; en zo zijn we met een tussentaal blijven zitten. En daarbij komt dat het vroegere cultuurideaal van de BRT volledig is verdwenen. […] Natuurlijk vind ik dat erg. Maar het gebeurt. We zijn aan het verantwerpsen.’

Op Barnards vraag waarom hij zich nooit uitsprak over ‘zoiets als die dwaze ondertiteling’ en of hij voor zijn partij dan geen ‘culturele taak’ meer weggelegd zag, reageerde De Wever: ‘Dat is een kritiek die ik wel wil aanvaarden, ja. In het gewoel van elke dag is dat helaas te weinig prioriteit.’ (Benno Barnard, ‘Dierbare vijanden’, in: Knack, 7 maart 2007)

In de hoger vermelde column in De Morgen, die vier maanden na zijn onderonsje met Barnard en Van Istendael verscheen, zette De Wever alvast een en ander recht:

‘Ik kon wel enig begrip opbrengen voor de In De Gloriafiguur Gerrit Callewaert uit Bavikhove, die in essentie aanklaagde dat Vlamingen die zich in hun dialect nog niet voldoende geconfirmeerd [sic] hebben aan de nieuwe Vlaamse taal, ondertiteld worden op televisie. Net als Nederlanders trouwens.’