Vrijspraaklezing: over de zin en onzin van het Algemeen Nederlands

Vind hier een lezing (Vrijspraaklezing 4 maart, Universiteit Antwerpen) door Jürgen Jaspers over de zin en onzin van het Algemeen Nederlands.

Een voorsmaakje:

Begin september 2012 verscheen het boek De Manke Usurpator. Over Verkavelingsvlaams, geredigeerd door Kevin Absillis, Sarah Van Hoof en ikzelf. Dat boek bundelt een aantal essays die vanuit verschillende perspectieven (niet enkel de taalkunde maar ook, onder meer, de literatuur en de extramurale neerlandistiek) het ‘Verkavelingsvlaams’ bespreken – een term die wel vaker wordt gebruikt om het taalgebruik te benoemen dat noch dialectisch noch standaardtalig maar ‘tussentalig’ is. Om de verschijning van dat boek enige ruchtbaarheid te geven besloten de drie redacteurs zich vooraf te laten interviewen in de krant De Morgen. Niets leek er op dat moment op te wijzen dat ‘ruchtbaarheid’ een forse understatement zou worden voor de stroomstoot die het interview door de publieke ruimte joeg.

Het interview bracht ontzettend veel commotie teweeg. Vooral omdat het volgens velen leek te doen uitschijnen dat de redacteurs van het boek ervoor pleitten om van ‘tussentaal’ de lingua franca op school te maken. Dat pleidooi was uit de lucht gegrepen: het interview trok alleen in twijfel dat het Algemeen Nederlands op school de de enige acceptabele taalvariëteit zou zijn. Maar het gerucht dat enkele taal- en letterkundigen ‘het Standaardnederlands op school wilden afschaffen’ verspreidde zich als snelvuur. Een hele week lang regende het reacties in de serieuze pers, in de meer populaire pers en op de nationale radio. Opiniemakers vulden de kolommen en de zendtijd. Maar ook talloze lezers en luisteraars grepen de kans om zich via lezersbrief, forumbijdrage of telefoontje naar de radio te doen opmerken, zoals ze ook op Facebook en Twitter duchtig met commentaren strooiden. Het interview groeide uit tot een zelfstandig nieuwsitem toen ook verschillende politici, waaronder de Minister van Onderwijs, om hun reactie werd gevraagd. De kers op de taart was dat het op 29 november 2012 aanleiding gaf tot een parlementaire vraag door Eric Arckens (onafhankelijk parlementslid, vroeger Vlaams Belang) aan Vlaams Minister van Cultuur Joke Schauvliege over, ik citeer, “de verdere verloedering van de standaardtaal en de ontoereikendheid van de hiertegen ingezette middelen”.

Terwijl taal- en letterkundigen in de meeste gevallen slechts deemoedig mogen dromen van hoe één van hun publicaties de publieke media in vuur en vlam weet te zetten, was de commotie in dit geval niet slechts een zegen. Collega-taalkundige Marc Van Oostendorp, als Nederlander wellicht een vrij neutraal observator, titelde een column die hij naar aanleiding van de commotie schreef als: ‘Dapper roepen maar niets lezen’, waarin hij aan de kaak stelde dat geen van de massale reacties “er blijk van [gaf] ook maar een blik in het door hen zo verfoeide boek geworpen te hebben” omdat ze daarin zouden merken dat “alle argumenten die [men] nu zo triomfantelijk te berde breng[t] in het boek al worden besproken”. Was dat voor Van Oostendorp tekenend voor het Vlaamse intellectuele klimaat, dan was zelfs zonder dit verwijt duidelijk dat Vlamingen weinig nodig hebben om, in de woorden van Kas Deprez, als ‘soldaten van het Nederlands’ op de barricaden te gaan staan. In elk geval raakte het boek zelf door alle commotie onmiskenbaar op de achtergrond verzeild.

Advertenties

Taal is meer dan vertier

Vandaag in De Standaard Jürgen Jaspers over de taalbijlagen waarop het dagblad zijn lezers vorige week trakteerde:

Taal is meer dan vertier

De taalbijlagen waarmee De Standaardvorige week uitpakte, grossierden in quizjes, anekdotiek, het obligate gemijmer over identiteit en sentimenten van BV’s. Zo dreigt de politieke en sociale impact van taal en taalpolitiek compleet te worden onderschat.

Taal is in onze contreien nog altijd een heikel thema. Schepenen worden aangesteld om het Nederlandstalige karakter van hun gemeente te bewaken. Leerlingen krijgen strafstudie omdat ze Turks of Frans spreken op de speelplaats. Ministers van Onderwijs oordelen dat wie geen rijke kennis van het Standaardnederlands heeft zich vrijwillig buiten de samenleving plaatst. En wetenschappers die suggereren dat tussentaal niet ‘abnormaal’ of ‘achterlijk’ is, worden door schrijvers en opiniemakers van onzindelijkheid beschuldigd. Van dit alles evenwel geen spoor in de taalbijlagen. We zouden haast denken dat taal louter gezellig en ludiek is.

De maatschappelijke uitdagingen waar taal vandaag voor staat, zijn nochtans aanzienlijk. Ze leveren genoeg stof op om de krant tot Kerstmis mee te kunnen vullen. Enkele voorbeelden. Zo weten we dat alle stedelijke overheidsdiensten worstelen met de groeiende meertaligheid. Hoe zullen we de problemen die dat meebrengt aanpakken en efficiënte overheidsdiensten overhouden? Van overheidspersoneel kunnen we moeilijk verlangen dat ze allemaal drie-, vier- of vijftalig zijn. Maar niemand kan in twijfel trekken dat overheidsdiensten in principe ten dienste staan van het volk dat hen financiert, en dat andere talen dan het Nederlands of het Frans op de één of andere manier aan bod zullen moeten komen. Het is niet oneerbaar om te wijzen op de kwetsbaarheid van het Nederlands in een globaliserende wereld, maar jammeren alleen zet weinig zoden aan de dijk. Bovendien zou het heel wrang zijn om dezelfde toestanden te creëren als diegene waartegen Vlamingen het iets meer dan een eeuw geleden gerechtvaardigd vonden om te protesteren (ter herinnering: ze mochten hun eigen taal niet gebruiken en begrepen geen snars van administratieve of gerechtelijke communicatie).

Een ander voorbeeld. In Antwerpen alleen al heeft meer dan de helft van de kinderen die vandaag geboren wordt een andere thuistaal dan het Nederlands. Dat zal een stevige impact hebben op het onderwijs. Hoe zullen we erop toezien dat al die leerlingen schooltaal en andere specifieke taalregisters verwerven? We weten al enige tijd dat het huidige, strak op het Nederlands gerichte beleid, weinig succesvol is geweest – dat is een understatement als we de slaagcijfers van anderstalige leerlingen bekijken. Die leerlingen presteren onder meer slecht omdat ze leerstof moeten verwerven in een taal die ze nog niet of onvoldoende beheersen. Tegelijk kunnen we van leerkrachten niet verlangen dat ze onderwijs in vijftien verschillende talen aanbieden. Hoe gaan we dat organiseren? Taalwetenschappers hebben daar wel wat over te zeggen, en het zou interessant zijn om daar in de krant iets over te lezen. Misschien halen politici er inspiratie uit.

The English of Van Rompuy

Er zijn nog andere taalpolitieke problemen. Hoe moeten we omgaan met het feit dat werkzoekenden die Nederlands spreken met een anderstalig accent een job geweigerd wordt ‘omdat de klant daar niet van houdt’? Vlamingen blijken het in algemeen erg moeilijk te hebben met accenten. Nog niet zo lang geleden kreeg de VRT-taaladviseur, Ruud Hendrickx, forse kritiek toen hij opperde om hier en daar regionale accenten toe te laten in VRT-programma’s, zoals op de BBC zelfs in het nieuws intussen de gewoonte is. ‘Misdadig’ werden die plannen genoemd, en ook in het Vlaams Parlement hing de verontwaardiging in de lucht. De vraag is hoeveel luxe we ons denken te kunnen permitteren: willen we meer mensen aan het werk, of mooie accenten? Gelukkig werd het Engels accent van EU-president Herman Van Rompuy niet aan esthetisch onderzoek onderworpen.

En voor wie er nog niet van overtuigd is dat de taalbijlagen een kans laten liggen om in te gaan op wat er écht toe doet: op bijna alle Vlaamse scholen spreken leerlingen en leerkrachten ‘tussentaal’, terwijl ze Nederlands schrijven (of dat proberen). Onze beleidsmakers hebben dat in hun taalnota’s tot hier toe straal genegeerd, terwijl iemand als Mia Doornaert (DS 22 november) geen kans onbenut laat om dat taalgebruik voor te stellen als een provinciaal patois van cultuurloze prutsers – je vraagt je soms af waarom taalnormen nastreven zoveel onbeleefdheid met zich moet meebrengen.

Toch ziet het er niet naar uit dat tussentaal op school zal verdwijnen. We kunnen natuurlijk onze kop in het zand laten zitten. Dromen over een ideale taalwereld is evenmin verboden. Maar ooit zullen we toch eens uitgebreid moeten debatteren over welke taalnormen we willen, waarom en wanneer. Ooit zullen we rekening moeten houden met wat in concrete omstandigheden haalbaar en redelijk is, al onze liefde voor een gedroomd Algemeen Nederlands ten spijt. Dat levert wellicht ongemakkelijke berichten op, maar ze zullen alleszins stof opleveren die aanzet tot denken in plaats van vertier.

And the Goatie Saver goes to…

MIA DOORNAERT!

(applaus)

Mia Doornaert:

Dank u, dank u…

(applaus)

Dank u.

Om bescheiden van wal te steken: ik kon eerlijk gezegd evenmin drie verschillen aanwijzen (zie eerder bericht, nvdmu). Wat mijn collega Permentier heeft bezield om schaamteloos te jatten, beats me. Ik kan dus alleen maar vermoeden dat de Goatie Saver mij toekomt vanwege mijn belangwekkende opiniestuk in De Standaard van vandaag. Ik waardeer de geste van de Manke Usurpator. Ze is dapper en terecht. Want, draai of keer hoe je wil, het is in tijden van algehele verboersing niet eenvoudig beschaafd te blijven. Dat mijn inspanningen niet ongezien blijven, dat is me een riem onder het hart, euh, een hart onder mijn riem,  euh, een ceintuur in mijn pantalon. Enfin, naar de essentie:

De opmars van het Verkavelingstaaltje moet stoppen. Dat is geen kwestie van secundair belang. Het gevaar van Mohammed verbleekt bij het onheil dat wordt aangericht door de halfbakken profeten van het koeterwaals. De grammaticale gruwel van ‘groter als’ is een symptoom van het diepste verval dat het Avondland ooit bedreigd heeft. Het kondigt zich voorts aan middels de verpietering van omgangsvormen en de wild om zich heen grijpende smakeloosheid op het vlak van mode. Grote denkers gingen mij voor in deze analyse. Al in 1951 wist Hendrik De Man dat de neergang der cultuur onherroepelijk was ingezet:

Ruwe manieren werden tot slechte manieren, het dialect veranderde geleidelijk in een soort van slang, de stemmen werden luider en schriller, stuitende straatdeunen verdrongen de eenvoudige volksliederen. Kleren en hoeden van een smakeloze chic vervingen de minder opvallende maar degelijke boerenkleding. Schuine moppen en uitdagende obsceniteit golden als blijk van geëmancipeerdheid van ouderwetse voordelen.

Ik ben de manke usurpator hoogst erkentelijk voor deze huldeblijk. De goatie saver krijgt een ereplek in mijn boudoir. Ik zal het toestel vanavond meteen uittesten voor mijn optreden in Reyers Laat. Dank u en houd op het goede werk!

Laat mij horen wat u zegt en ik zeg u waar u het gelezen heeft

De Standaard pakt deze week naar jaarlijks gebruik uit met Taalbijlagen. Niet toevallig de standaard, deze krant. De manke usurpator kraait evenwel nooit te vroeg hoezee, zeker niet sinds een kruisvormig letterwoord spoorslags van de voorpagina verdampte. Nooit eerder heeft het Vlaamse regime van goed bedoelde betutteling en terechte zuiverheidsneurose harder onder druk gestaan. En helaas: anno 2012 dreigen ook de laatste ringbaarden te capituleren voor halfhartige tolerantie en andere varianten van zelfverloochening. Staat dan niemand meer pal?

Wat Ludo Permentier vandaag onder de kop “Laat mij horen wat u zegt en ik zeg u wie u bent” bijeensprokkelt, is trouwens niet alleen vrijblijvend.  Het is ook weinig origineel. Neem deze alinea:

In Vlaanderen is tussentaal overal te horen. Overal kom je uithangborden tegen die automobilisten aansporen om vaart te minderen met de slogan ‘Merci om trager te rijden’. Ook het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid doet mee met: ‘Gene zever: binnenkort speekseltest tegen drugs in het verkeer’. En de spoorwegmaatschappij hangt posters op met gefingeerde treinhaltes als ‘de bomma’ (oma) en ‘ongelooflijk toffe botten’ (laarsjes).

Neem er vervolgens even deze alinea bij:

Het leven gelijk het leven in Vlaanderen is, lijkt zich tegenwoordig haast integraal in dit Verkavelingsvlaams af te spelen. Uithangborden in Antwerpse straten sporen automobilisten aan om vaart te minderen met de slogan “Merci om trager te rijden”. Langs de snelwegen waarschuwt het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid diezelfde automobilisten met de boodschap: “Gene zever: binnenkort speekseltest tegen drugs in het verkeer”. En de NMBS promoot haar blue bikes, blauw geverfde fietsen die reizigers kunnen lenen aan stations, met affiches van gefingeerde treinhaltes als ‘de bomma’ en ‘ongelooflijk toffe botten’; de laatste beeldde als bestemming een schoenwinkel af. (De manke usurpator: Over Verkavelingsvlaams, p. 5)

Akkoord: er is wel een inspanning geleverd om de bovenste tekst te doen afwijken van het origineel – tweemaal “overal” in vier woorden? – en Permentier heeft– terecht! ­– de verfoeilijke gallicismen in beschaafd Nederlands vertaald. Maar voorts? Wie drie verschillen kan aanwijzen krijgt van de manke usurpator een goatie saver ten geschenke. Echte ringbaarden kunnen er nooit genoeg zijn.

Dienstmededeling

De manke usurpator is even doof van de almaar escalerende conversaties (o.a. hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier,…. wees welkom om het lijstje hieronder aan te vullen). Bovendien moet hij dringend zijn kreupele onderstel strekken. De stilte neemt het hier dus even over. Voor praktische informatie over het boek De manke usurpator: Over Verkavelingsvlaams  (Academia Press, 2012) kunt u intussen hier terecht.

Tot later,

Uw Usurpator

Verhulst neemt afstand van opiniestuk

“Ook ik vind het Algemeen Nederlands bescheten”

Dimitri Verhulst laat via zijn woordvoerder weten dat hij afstand neemt van het opiniestuk dat op 31 augustus 2012 onder zijn naam verscheen in De Morgen. “De opvattingen die daarin worden verwoord, zijn niet die van mijn cliënt. Wie enigszins vertrouwd is met diens oeuvre, had dit trouwens kunnen vermoeden. Verhulst schrijft geen Algemeen Nederlands en spreekt het nog veel minder.”

De auteur van De helaasheid der dingen heeft zich in het verleden inderdaad allerminst een taalpurist getoond. Twee jaar geleden zei hij nog in het weekblad Humo: “In het gewone leven gebruik ik ook teljoor, al spreek ik het anders uit dan het daar staat (lacht). Om waarachtig te schrijven, schrijf ik zoals ik gebekt ben. Ik ga steigeren als een redacteur van mijn Nederlandse uitgeverij mij probeert te verbieden om het over een tas koffie te hebben. Van de zes miljoen Vlamingen zal alleen een bescheten half percent het over een kopje koffie hebben. Wie eigent zich dan het recht toe om te beweren dat een tas een kopje moet zijn?”

Na de verklaringen van Verhulsts woordvoerder bekende Mia Doornaert dat ze de boel heeft trachten te belazeren. “Het wordt de hoogste tijd dat de profeten van het Verkavelingsvlaams het zwijgen wordt opgelegd. Ik dacht bij mezelf: als ze niet naar een barones willen luisteren, dan luisteren ze misschien wel naar die vuilspuiter van een Verhulst. Die praat wat meer op hun niveau.” Doornaert betreurt het dat haar opzet is mislukt: “Olsters dat kan ik nog wel imiteren – ik ben een groot bewonderaar van onze Vlaamsche dialecten – maar het woord ‘kak’ dat krijg ik toch maar moeilijk over mijn lippen. Het doel heiligt echter de middelen, zeker als het over mijn schone moedertaal gaat.”

Het is al de tweede keer dat Doornaert zich in haar kruistocht tegen het Verkavelingsvlaams tot vals spelen laat verleiden. Vorig jaar publiceerde ze in De Standaard een opiniebijdrage onder de naam van politicoloog Dave Sinardet (zie eerdere berichtgeving).

Wie intussen iets ernstigs wil lezen over De manke usurpator: Over Verkavelingsvlaams kan terecht op Neder-L, waar Marc van Oostendorp het boek bespreekt. Wie aan de diverse, driftig kolkende discussiefora nog niet voldoende heeft, kan zijn of haar mening ook hier articuleren. Enige voorkennis van het Frysk strekt tot aanbeveling.

Een kwestie van beleefdheid

Als Geert van Istendael wilde bewijzen dat tussentaal ook op papier moeiteloos te begrijpen is, dan mag zijn experiment geslaagd heten. Toch verkiezen we om in het Algemeen Nederlands te reageren. Het is hoffelijk om die variëteit te hanteren voor dit soort gelegenheden. Dit gebruik hebben we nooit ter discussie gesteld, van Istendael mag op beide oren slapen. En hij heeft meer aanleiding om zijn bezorgdheid terug te schroeven: ook wij vinden volksverheffing een “schoon woord”. Sterker, in de inleiding van het door ons samengestelde boek De manke usurpator betuigen we onze bewondering “voor het idealisme van generaties van volksverheffers en taalemancipatoren”. Wél plaatsen we vraagtekens bij de manier waarop in Vlaanderen taalemancipatie wordt bedreven en bij de onbedoelde effecten van zoveel idealisme.

Neem Geert van Istendael, gewezen secretaris van de ABN-kernen en behalve de uitvinder van het begrip Verkavelingsvlaams ook een van de felste bestrijders ervan. Niet alleen noemt hij de tussentaal iets “vuils” en “weerzinwekkends”, wie zich van die taal bedient zet hij weg als lui, zelfgenoegzaam en dom. Politici en ambtenaren acht hij niet minder verwerpelijk: ze zouden “giftige woordenpap” oplepelen, “onwelriekend taalbraaksel” lozen en “smerige on-taal” uitkramen. Op een handjevol (ex-)nieuwslezers na kwalificeert hij ook tv-sterren en andere bv’s op grond van hun taalgebruik geregeld als halve zolen en volksverlakkers. ‘Authentieke’ dialectsprekers vindt van Istendael dan weer prachtig: zij herinneren hem aan het idyllische platteland, waar het leven het ritme van de natuur volgde en het volk de allermooiste idiomen sprak totdat de door menig intellectueel hartgrondig gehate fermette-Vlaming er zich mee kwam bemoeien.

Het vernuft waarmee van Istendael het project van de moderniteit (standaardtaal) zo weet te verzoenen met een romantisch cliché gaat al lang mee en is kritiekloos geïmiteerd door vele van zijn generatiegenoten (onder wie niet weinig taalkundigen). Zijn opvattingen hebben een lange, ingewikkelde geschiedenis die we reconstrueren in ons boek. Wat we echter nog altijd niet begrijpen is hoe van Istendael met zijn tirades tot verheffing meent te kunnen bijdragen. Wetenschappelijke inzichten verspreiden ze niet, beleefdheid en respect voor culturele verschillen stimuleren ze nog minder. Toch is van Istendaels kijk op tussentaal dominant in ons onderwijs. Alsof het geijkte linguïstiek is heet de tussentaal in schoolboeken “morsig” en “bedorven”, terwijl handleidingen voor leerkrachten instructies bevatten om leerlingen wijs te maken dat “ze een vervelende tussentaal spreken”. Keurt de overheid deze leerinhouden goed?  Wat voor soort gemeenschap hoopt ze zo op te bouwen? En is het dan louter politieke correctheid die de goegemeente tegenhoudt om eens flink te fulmineren tegen pakweg ‘Kebabvlaams’?

Als opiniemakers en politici na bijna 200 jaar van taalstrijd nog altijd menen dat Vlamingen zich allerbelabberdst uitdrukken, dan lijkt het tijd voor bezinning. Dan lijkt het tijd om toe te geven dat de tussentaal niet zal verdwijnen als we het AN maar luid genoeg als emancipatiemiddel aanprijzen. Dan lijkt het tijd om te erkennen dat Vlamingen niet “gemakzuchtiger” zijn dan andere volkeren, en dat ze de standaardtaal niet dragen als een zondagspak uit aangeboren boertigheid, maar omdat dat pak uit smetvrees altijd op negentig graden is gewassen. Dan lijkt het tijd ook om voor de inwoners van Vlaanderen, de oude en de nieuwe, een efficiëntere en fraaiere manier van verheffing te eisen. Een verheffing die niet wortelt in de angst om bekrompen of provinciaal te lijken, maar één die complexloos durft rekening te houden met de onvermijdelijkheid van een veelstemmigheid die morgen alleen maar zal toenemen.

Roepen dat “tussentaal moet kunnen” zal niet bijdragen tot de verheffing van de Vlaming. En het promoveren van een Verkavelingsvlaams tot nieuwe standaard nog veel minder. Wij hebben nergens anders beweerd. Wel willen we de behoefte kenbaar maken aan een grondig debat over de vraag wat in de huidige omstandigheden een zinvol taalproject is. We proberen de standaard niet op te blazen, maar het denken erover bij te sturen. Wat mogen we verwachten van taalnormen, welke effecten ervan mogen we verdragen, welke moeten we stimuleren en welke moeten we daarentegen proberen in te dammen? Het is naïef om te verwachten dat alle mechanismen van uitsluiting ooit kunnen worden vermeden, maar van de overheid mag worden verwacht dat ze minstens luisterbereidheid en hoffelijkheid aanmoedigt. Mensen uitschelden omdat hun taal achterlijk of armoedig zou zijn, is daar geen goed voorbeeld van. En ja, dat betekent ook dat de Vlaming er geregeld aan mag worden herinnerd dat hij met anderstalige leerders van het Nederlands zijn best hoort te doen om zich zo verstaanbaar mogelijk te maken.

Wij twijfelen dus niet aan de noodzaak van goede afspraken en een richtinggevend beleid – niet alles is al lang goed als de boodschap maar aankomt. Iedereen, zeker de minst geprivilegieerde, moet de kans krijgen om zich te bekwamen in tot ‘Algemeen’ gepromoveerde, maar in de praktijk juist specifieke registers waarin de overheid met de burger communiceert, de pers haar berichtgeving organiseert en waarin uiteraard ook prachtige verzen en romans zijn geschreven. Maar een rijke taalbeheersing bestaat ook uit het kunnen begrijpen en respecteren van andere, even specifieke registers. Zo’n rijke taalbeheersing zal trouwens broodnodig zijn om de allerminst standaardtalige literatuur van Dimitri Verhulst, Hugo Claus, Louis Paul Boon, Gerard Walschap, Paul van Ostaijen of Hendrik Conscience te leren appreciëren (en het loont in alle gevallen nog altijd de moeite).

De geschiedenis bewijst dat al het gezeur over “sloddertaal”, “hamburgertaal” en “nepdialect” het tegendeel heeft opgeleverd van wat tussentaalbestrijders nastreven. Nieuwe en oude Vlamingen gaan zich alleen maar meer vervreemden van de zogenaamd beschaafde variant. Kwalijker is nog dat de overheid en de publieke opinie zo krampachtig blijven omgaan met taalverschil, de buitenproportionele persaandacht van de laatste dagen is er het bewijs van. Die krampachtigheid valt historisch nog wel te begrijpen, maar is het niet stilaan tijd om onze trauma’s te verwerken? Eén van de pijnlijkste gevolgen van een overdreven hang naar taalzuiverheid is wellicht dat Vlamingen met een anderstalige achtergrond in tegenstelling tot de ons omringende landen nauwelijks op de nieuwsdienst van de openbare omroep terecht kunnen.  Kennelijk hebben we geen probleem met het (overigens prachtige) Noord-Hollandse accent van een correspondent, maar kunnen we het accent van een journalist die het Nederlands als tweede taal heeft verworven niet verdragen. Dat is jammer. En of het een teken van  beschaving mag heten, is zeer de vraag.

Sarah Van Hoof, Jürgen Jaspers, Kevin Absillis (Universiteit Antwerpen)

Verschenen in De Morgen, 1 september 2012.