Een kwestie van beleefdheid

Als Geert van Istendael wilde bewijzen dat tussentaal ook op papier moeiteloos te begrijpen is, dan mag zijn experiment geslaagd heten. Toch verkiezen we om in het Algemeen Nederlands te reageren. Het is hoffelijk om die variëteit te hanteren voor dit soort gelegenheden. Dit gebruik hebben we nooit ter discussie gesteld, van Istendael mag op beide oren slapen. En hij heeft meer aanleiding om zijn bezorgdheid terug te schroeven: ook wij vinden volksverheffing een “schoon woord”. Sterker, in de inleiding van het door ons samengestelde boek De manke usurpator betuigen we onze bewondering “voor het idealisme van generaties van volksverheffers en taalemancipatoren”. Wél plaatsen we vraagtekens bij de manier waarop in Vlaanderen taalemancipatie wordt bedreven en bij de onbedoelde effecten van zoveel idealisme.

Neem Geert van Istendael, gewezen secretaris van de ABN-kernen en behalve de uitvinder van het begrip Verkavelingsvlaams ook een van de felste bestrijders ervan. Niet alleen noemt hij de tussentaal iets “vuils” en “weerzinwekkends”, wie zich van die taal bedient zet hij weg als lui, zelfgenoegzaam en dom. Politici en ambtenaren acht hij niet minder verwerpelijk: ze zouden “giftige woordenpap” oplepelen, “onwelriekend taalbraaksel” lozen en “smerige on-taal” uitkramen. Op een handjevol (ex-)nieuwslezers na kwalificeert hij ook tv-sterren en andere bv’s op grond van hun taalgebruik geregeld als halve zolen en volksverlakkers. ‘Authentieke’ dialectsprekers vindt van Istendael dan weer prachtig: zij herinneren hem aan het idyllische platteland, waar het leven het ritme van de natuur volgde en het volk de allermooiste idiomen sprak totdat de door menig intellectueel hartgrondig gehate fermette-Vlaming er zich mee kwam bemoeien.

Het vernuft waarmee van Istendael het project van de moderniteit (standaardtaal) zo weet te verzoenen met een romantisch cliché gaat al lang mee en is kritiekloos geïmiteerd door vele van zijn generatiegenoten (onder wie niet weinig taalkundigen). Zijn opvattingen hebben een lange, ingewikkelde geschiedenis die we reconstrueren in ons boek. Wat we echter nog altijd niet begrijpen is hoe van Istendael met zijn tirades tot verheffing meent te kunnen bijdragen. Wetenschappelijke inzichten verspreiden ze niet, beleefdheid en respect voor culturele verschillen stimuleren ze nog minder. Toch is van Istendaels kijk op tussentaal dominant in ons onderwijs. Alsof het geijkte linguïstiek is heet de tussentaal in schoolboeken “morsig” en “bedorven”, terwijl handleidingen voor leerkrachten instructies bevatten om leerlingen wijs te maken dat “ze een vervelende tussentaal spreken”. Keurt de overheid deze leerinhouden goed?  Wat voor soort gemeenschap hoopt ze zo op te bouwen? En is het dan louter politieke correctheid die de goegemeente tegenhoudt om eens flink te fulmineren tegen pakweg ‘Kebabvlaams’?

Als opiniemakers en politici na bijna 200 jaar van taalstrijd nog altijd menen dat Vlamingen zich allerbelabberdst uitdrukken, dan lijkt het tijd voor bezinning. Dan lijkt het tijd om toe te geven dat de tussentaal niet zal verdwijnen als we het AN maar luid genoeg als emancipatiemiddel aanprijzen. Dan lijkt het tijd om te erkennen dat Vlamingen niet “gemakzuchtiger” zijn dan andere volkeren, en dat ze de standaardtaal niet dragen als een zondagspak uit aangeboren boertigheid, maar omdat dat pak uit smetvrees altijd op negentig graden is gewassen. Dan lijkt het tijd ook om voor de inwoners van Vlaanderen, de oude en de nieuwe, een efficiëntere en fraaiere manier van verheffing te eisen. Een verheffing die niet wortelt in de angst om bekrompen of provinciaal te lijken, maar één die complexloos durft rekening te houden met de onvermijdelijkheid van een veelstemmigheid die morgen alleen maar zal toenemen.

Roepen dat “tussentaal moet kunnen” zal niet bijdragen tot de verheffing van de Vlaming. En het promoveren van een Verkavelingsvlaams tot nieuwe standaard nog veel minder. Wij hebben nergens anders beweerd. Wel willen we de behoefte kenbaar maken aan een grondig debat over de vraag wat in de huidige omstandigheden een zinvol taalproject is. We proberen de standaard niet op te blazen, maar het denken erover bij te sturen. Wat mogen we verwachten van taalnormen, welke effecten ervan mogen we verdragen, welke moeten we stimuleren en welke moeten we daarentegen proberen in te dammen? Het is naïef om te verwachten dat alle mechanismen van uitsluiting ooit kunnen worden vermeden, maar van de overheid mag worden verwacht dat ze minstens luisterbereidheid en hoffelijkheid aanmoedigt. Mensen uitschelden omdat hun taal achterlijk of armoedig zou zijn, is daar geen goed voorbeeld van. En ja, dat betekent ook dat de Vlaming er geregeld aan mag worden herinnerd dat hij met anderstalige leerders van het Nederlands zijn best hoort te doen om zich zo verstaanbaar mogelijk te maken.

Wij twijfelen dus niet aan de noodzaak van goede afspraken en een richtinggevend beleid – niet alles is al lang goed als de boodschap maar aankomt. Iedereen, zeker de minst geprivilegieerde, moet de kans krijgen om zich te bekwamen in tot ‘Algemeen’ gepromoveerde, maar in de praktijk juist specifieke registers waarin de overheid met de burger communiceert, de pers haar berichtgeving organiseert en waarin uiteraard ook prachtige verzen en romans zijn geschreven. Maar een rijke taalbeheersing bestaat ook uit het kunnen begrijpen en respecteren van andere, even specifieke registers. Zo’n rijke taalbeheersing zal trouwens broodnodig zijn om de allerminst standaardtalige literatuur van Dimitri Verhulst, Hugo Claus, Louis Paul Boon, Gerard Walschap, Paul van Ostaijen of Hendrik Conscience te leren appreciëren (en het loont in alle gevallen nog altijd de moeite).

De geschiedenis bewijst dat al het gezeur over “sloddertaal”, “hamburgertaal” en “nepdialect” het tegendeel heeft opgeleverd van wat tussentaalbestrijders nastreven. Nieuwe en oude Vlamingen gaan zich alleen maar meer vervreemden van de zogenaamd beschaafde variant. Kwalijker is nog dat de overheid en de publieke opinie zo krampachtig blijven omgaan met taalverschil, de buitenproportionele persaandacht van de laatste dagen is er het bewijs van. Die krampachtigheid valt historisch nog wel te begrijpen, maar is het niet stilaan tijd om onze trauma’s te verwerken? Eén van de pijnlijkste gevolgen van een overdreven hang naar taalzuiverheid is wellicht dat Vlamingen met een anderstalige achtergrond in tegenstelling tot de ons omringende landen nauwelijks op de nieuwsdienst van de openbare omroep terecht kunnen.  Kennelijk hebben we geen probleem met het (overigens prachtige) Noord-Hollandse accent van een correspondent, maar kunnen we het accent van een journalist die het Nederlands als tweede taal heeft verworven niet verdragen. Dat is jammer. En of het een teken van  beschaving mag heten, is zeer de vraag.

Sarah Van Hoof, Jürgen Jaspers, Kevin Absillis (Universiteit Antwerpen)

Verschenen in De Morgen, 1 september 2012.

Advertenties

2 comments

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s