Als het onkruid bloeit

Als het onkruid bloeit

Vervolg op bericht 24-09-2011
‘Taal tussen tuin en wildernis. Verkavelingsvlaams: de vijand is nog steeds onder ons’ (deel 2)

Het Verkavelingsvlaams werd pas geïdentificeerd in de weinig vergulde eighties, maar de weerzin ertegen verscheen niet uit het niets. In zekere zin was die zelfs voorgeprogrammeerd. Er is in Nederlandstalig België van meet af aan op het scherp van de snee over taalnormen gediscussieerd, maar de noodzaak van een standaard stond nooit ter discussie. Er heerste een onverzettelijk geloof in de maakbaarheid van taal. Spelling en grammatica hoorden te worden beregeld; woordenschat moest worden geïnventariseerd, eventueel uitgebreid, verbeterd en niet in de laatste plaats gezuiverd.

Tegenwoordig tovert het begrip taalzuivering een beeld voor de geest van lichtjes xenofobe hobbyclubjes die inheemse van uitheemse woorden scheiden. Die vorm van purisme was zeker in de negentiende eeuw gebruikelijk in heel Europa, maar er ging een ambitie aan vooraf die ons begrip van taal diepgaander heeft beïnvloed, namelijk het project van de moderne wetenschap. De denkers die in de zestiende en zeventiende eeuw haar filosofische fundamenten bijeentimmerden, deelden een groot wantrouwen tegenover omgangstalen. Zo hoopte Francis Bacon taal te strippen van alle dubbelzinnigheden, beeldspraak en retoriek. Pas met zo’n gezuiverd instrument kon de mens volgens de grondlegger van het empirisme succesvol op zoek naar de universele kennis die hem in staat zou stellen de natuur volledig te doorgronden en via techniek te beheersen. John Locke zou het verlangen naar een van de natuur losgekoppelde en door de mens getemde taal verder uitwerken. Aan referentiële overbodigheden en het ‘oneigenlijke’ gebruik van taal moest beslist een einde komen om efficiënt te kunnen communiceren. In een pedagogisch handvest raadde Locke ouders en leerkrachten zelfs aan om de ‘dichterlijke aders’ van jongeren toe te snoeren. Wie denkt dat taalpurificatie uitsluitend het streefdoel was van romantisch bevlogen nationalisten, vergist zich dus.

Johann Gottfried Herder (1744-1803), de invloedrijke theoreticus van het volksnationalisme, ging er trouwens ook vanuit dat de mens zich had losgerukt van de natuur. In tegenstelling tot wetenschappers en verlichte geesten durfde hij dit te betreuren, maar dat betekende niet dat hij zomaar terugverlangde naar de premoderniteit. Herder brak weliswaar een lans voor volkse tradities en gebruiken, met inbegrip van dialecten, maar zijn ideeën mondden net als de door hem betwiste verlichtingsideeën uit in stroomlijning en uitzuivering. Hij droomde van moderne, homogene naties waarvan de unieke, in het verleden gewortelde ziel door smetvrije talen zou worden weerspiegeld.

Wat Herder eveneens gemeen heeft met Bacon en Locke is de overtuiging dat taal de bemoeienis van experts nodig heeft. Hoe groot zijn bewondering voor het volk ook, Herder achtte het niet in staat om de vitaliteit en poëtische kwaliteiten van zijn taal naar waarde te kunnen schatten. Die taak moest worden behartigd door een select groepje dat leiderschapskwaliteiten paarde aan bekwaamheidsattesten: schrijvers, dichters, folkloristen, filologen en geschiedkundigen.

Taal laat zich echter niet zomaar temmen. Dat de moderne obsessie van de maakbare taal een woekering aan metaforen produceerde, mag er het ironische bewijs van heten. Van al die metaforen is geen zo populair gebleken als de tuin. Ook Vlaanderen kent een lange traditie van zogenaamde taaltuiniers die via boekjes, kranten, radio en tv de bevolking voorlichten hoe ze dienden te spreken en te schrijven. In het licht van de moderne opvattingen over taal wordt de betekenis van die metafoor een stuk helderder. Een tuin is namelijk een door de mens afgeperkt en bewerkt, en zo in cultuur getransformeerd stukje natuur. Wie zich de standaardtaal als een tuin verbeeldt, geeft te kennen dat taal voortdurend moet worden verzorgd en legitimeert de nood aan getraind personeel om de vruchtbaarheid van de tuin te verzekeren.

Als de standaardtaal de tuin is, dan vormen de dialecten de vrije natuur. Het is niet omdat je een tuin bezit, dat je de pure wildernis niet kunt waarderen. In tegenstelling tot Frankrijk, waar vlak na 1789 de drang om elk patois uit te roeien heel sterk was, was de haat voor dialecten in Vlaanderen nooit dominant. De liefde voor de standaardtaal en voor de dialecten spoorde goed, precies omdat ze het centrale axioma van het moderne mens- en wereldbeeld respecteert: de strikte scheiding tussen natuur en cultuur. Taaltuiniers hebben hun weerzin dan ook altijd gereserveerd voor taalvariëteiten die als een bedreiging voor de standaardtaal werden gezien. Voor de gewassen die in de tuin infiltreren. Voor kruid dat zo ongewenst is dat we zijn plantaardigheid letterlijk ontkennen: onkruid.

Als we inzien dat we ons talen verbeelden als tuin, wildernis en onkruid, wordt de weerzin tegen Verkavelingsvlaams minder geheimzinnig. Want wat met de ‘verkavelde grond’ waar Geert van Istendael de geboorte van de tussentaal situeert? Die behoort niet tot de stad, plek bij uitstek van culturele activiteit en bakermat van standaardtalen. Evenmin maakt hij deel uit van het platteland, waar het leven het ritme van de natuur volgt en het volk ooit schone dialecten sprak. De daad van verkavelen is een aanslag op de natuur zonder er cultuur voor in de plaats te geven. Daarom definieert Van Istendael de taal waarvan hij meent dat ze tiert in fermettes – nepboerderijen! – als een ‘half-taal’. Als een nieuw onkruid verpest het Verkavelingsvlaams de moderne idealen waar vele politici, opiniemakers en taalkundigen zo van doordrongen zijn. Af en toe wordt dat ook met zoveel woorden toegegeven. Bijvoorbeeld door de taalkundige Jan Goossens, die eens opmerkte: ‘Het enige wat in het Schoon Vlaams van cultuur getuigt, en wel van een twijfelachtige, is dat het zich afzet tegen de natuur, d.w.z. de dialecten. En daar slaagt het niet eens in.’

Tot slot geeft ook de term soap-Vlaams nu een diepere betekenis prijs. Televisiefeuilletons, en zeker de door commerciële media zonder enige ‘meerwaarde’ geproduceerde, staan laag aangeschreven. De mening leeft dat dit op industriële schaal geproduceerde en verspreide ‘entertainment’ het volk afschermt van échte, hoogwaardige cultuur en het tegelijk vervreemdt van zijn ‘oorspronkelijke’ tradities, die precies om hun ongereptheid en primitieve spontaneïteit worden geprezen. De mentale boedelscheiding tussen natuur en cultuur manifesteert zich zo bekeken dus heus niet alleen in het discours over taal.

Utopische verleiding

Na tweehonderd jaar taalstrijd galmen in de Vlaamse publieke ruimte nog altijd de kaakslagen. Wie durft te suggereren dat taalvariatie niet abnormaal is of dat standaardtalen historische uitvindingen zijn, heet al gauw een ‘pseudo-democraat’ die ‘generaties strijd voor culturele emancipatie’ verraadt (Mia Doornaert) of een ‘gevaarlijke’ mens die ‘de beschaving bedreigt’ en daarom dient te worden opgesloten ‘in een zonnige kliniek voor geesteszieken’ (Benno Barnard). Intussen regeert krampachtigheid. Zo vanzelf de officiële populariteit van het Algemeen Nederlands spreekt, zo weinig vanzelf mogen de inwoners van Vlaanderen het woord nemen.

Uiteraard zou het te eenvoudig zijn om de bestrijders van het Verkavelingsvlaams van taalfascisme te beschuldigen, zoals Louis Paul Boon destijds deed met de ABN-kernen. Maar het zou dommer zijn om de verwantschap tussen het ideaal van taaluniformiteit en allerlei utopische begeerten naar maatschappelijke uitzuivering te ontkennen. Het geloof in de totale maakbaarheid van talen wekt een allergie op voor het onzuivere en het hybride. Voor dat wat hier doorgaans vis noch vlees heet en elders mossel noch vis. Dat wat, anders gezegd, tussen categorieën in lijkt te vallen, zoals tussentalen. Toch verplicht niemand ons om te denken volgens categorieën die we zelf hebben uitgevonden. De scheiding tussen natuur en cultuur zit alvast wat taal betreft wel degelijk tussen onze oren. Zolang we deze mentale barrière blijven projecteren op de natuur en de dingen, zullen we het onkruid dan ook hoog zien opschieten. Voor taaltuiniers mag zoveel werkgelegenheid een aantrekkelijk vooruitzicht zijn. Hun doel, het einde van een door hen als een vorm van onmondigheid ervaren taalgebruik, zal evenwel geen milimeter dichterbij komen.

Advertenties

One comment

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s