Jubilea

Wie de 125ste verjaardag van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde heeft gemist, kan vandaag in De Standaard  nog de jubileumboodschap van het instituut aantreffen: “standaardtaal blijft de norm”. Zowaar uit vele monden klinkt het voorts:

“We geloven dat men een norm kan voorhouden zonder taalgebruikers te frustreren of kleineren. Meer nog, ze gelooft dat het voorhouden van een norm juist emanciperend kan werken.”

We, men, ze: het is bijna alsof de KANTL het niet zelf gezegd wil hebben. De aarzeling is licht begrijpelijk. Menig lid van de Academie heeft in het verleden juist het kleineren van andermans taalgebruik tot subnationale sport verheven. Toevallig publiceert Knack Wereldtijdschrift deze week een bijdrage waarin de spelregels van die sport tegen het licht worden gehouden. Ter gelegenheid van het eenjarige jubileum van de naar hem genoemde prijs biedt De Manke Usurpator u hier exclusief een fragment aan.

Taal tussen tuin en wildernis

Verkavelingsvlaams: de vijand is nog steeds onder ons

In een land met splijting bedreigd, in een gemeenschap die polariseren ooit tot nationale sport hoopt uit te kunnen roepen, mag het Verkavelingsvlaams een godsgeschenk heten. De alledaagse omgangstaal van de Vlaming stemt tot een unanieme weerzin die schittert naast het gesteggel rond andere hangijzers. De consensus strekt zich uit van rechts tot links, van belgicist tot flamingant, van would-be kosmopoliet tot must-be tuinkabouter.

Neem de politiek. Niet alleen zijn alle partijen doordrongen van het belang van een standaardtaal. Even eendrachtig vinden ze dat de standaard het Algemeen Nederlands hoort te zijn en veroordelen ze het Verkavelingsvlaams. Zo vindt de N-VA dat ‘iedereen zich van de standaardtaal moet kunnen bedienen’ en dat het onderwijs en de media ‘tussentaal’ moeten terugdringen. De SP.A, waarvoor N-VA’ers toch meer dan allergisch zijn gebleken, denkt er net zo over. Haar verkiezingsprogramma van 2009 beloofde dat via ‘het onderwijs en de openbare omroep’ zou worden voorkomen dat ‘het Nederlands in Vlaanderen’ tot ‘een tussentaal’ degradeerde. Alleen de Partij Van De Arbeid lijkt maar weinig te reflecteren over dit thema. Dat sluit niet uit dat ze taal een uniform zou willen aantrekken. Ludo Martens, de onlangs overleden oprichter van de partij, leerde niet toevallig de stiel als militant van de ABN-kernen, groepjes scholieren die in de jaren 1950 en ’60 campagne voerden ter promotie van wat toen nog Algemeen Beschaafd Nederlands mocht heten.

Politici die de dreiging van de tussentaal niet ernstig genoeg lijken te nemen, riskeren hun hachje. Dat bleek toen Luckas Vander Taelen (Groen!) Pol Van Den Driessche (CD&V) eens van bekrompenheid beschuldigde. Van Den Driessche had geklaagd over Brugse boetes die in het Nederlands en het Frans waren opgesteld. Dat mocht niet van hem: Brugge hoorde uitsluitend in het Nederlands te communiceren. Het was zo al een koud kunstje om dat ‘kaakslagflamingantisme’ te ridiculiseren, maar om hem helemaal te vloeren maande Vander Taelen zijn opponent aan om zijn ergernis te sparen voor ‘de belabberde kwaliteit van het Nederlands zoals dat heden ten dage in zijn provincie en over geheel Vlaanderen gesproken wordt’. Van Den Driessche spartelde vervolgens nog flink tegen, maar moest Vander Taelen toch ‘op één punt’ gelijkgeven: ‘Samen met hem erger ik me aan de belabberde kwaliteit van het Nederlands en de onstuitbare opgang van het dialectische gebrabbel en het Verkavelingsvlaams dat in de media en elders te horen is. Zowaar ook in onze “volkseigen” radio- en tv-stations. Laat ons daarmee stoppen, straks moeten we opnieuw de “ABN-kernen” van de naoorlogse jaren tot leven wekken.’

De aanvaring tussen Vander Taelen en Van Den Driessche openbaart meteen hoe het taaldebat in de ban is van utopische verleidingen. Beiden dromen ongegeneerd van een overheid die via door haar gecontroleerde media een uniforme taal oplegt en al het onbeschaafde gebrabbel uitroeit. Wie de overheid vandaag een economische opdracht van dergelijke dirigistische aard zou toevertrouwen, wordt onmiddellijk voor gek verklaard. Ook de zienswijze van Bart De Wever is revelerend. Gewoonlijk gaat die prat op een nuchter ongeloof in de maakbaarheid van mens en samenleving, maar voor taalbeleid maakt hij graag een uitzondering. Zo kniesde hij in 2007:

Nivelleren naar boven werd ingeruild voor nivelleren naar beneden, met een enthousiasme alsof diarree de ideale remedie zou zijn voor constipatie. De gevolgen zie je het best aan ons taalgebruik. Het streven naar het doorsijpelen van Algemeen Nederlands werd zo goed als opgegeven. Zelfs de openbare omroep vindt het vandaag normaal om populaire series te maken waarin de acteurs een soort tussentaal spreken. Het resultaat is een veralgemening van een soort randstedelijk Antwerps, gelardeerd met exotische klanken en uitdrukkingen uit andere provincies.

Dat het streven naar AN verdwenen zou zijn, is onzin. Hoe zou anders zoveel teleurstelling, uit zulke diverse hoeken afkomstig, te verklaren zijn? Wat velen frustreert is eenvoudigweg dat al dat streven nog altijd zo weinig vruchtbaar schijnt. Het bizarre daarvan is dat niet weinig mopperaars hun leer zelf niet praktiseren. Uiteindelijk vindt ook Bart De Wever het toch normaal om randstedelijk Antwerps te spreken. Of dienen al die aan het Latijn ontleende klanken dan toch alleen om de schijn van beschaafdheid te redden?

Un jargon vaseux

Bij het koor van politici sluiten zich ook tal van opiniemakers enthousiast aan. Aan argumenten ontbreekt het hen niet, al snijdt het ene al wat meer hout dan het andere. Zelfverklaarde volksverheffers geloven bijvoorbeeld in de ontvoogdende kracht van de standaardtaal, maar vormen hun gedachten geen kringetje? Ze bevestigen eerst de wenselijkheid van een norm om vervolgens het onder de knie krijgen van die norm emanciperende effecten toe te schrijven. Nog afgezien daarvan hebben sociologen gewezen op het fenomeen ‘sociale reproductie’. Wie via het onderwijs en de media de meerderwaardigheid van een taal promoot, riskeert volgens hen klassenverschillen in stand te houden in plaats van ze weg te vlakken. Aan de goede bedoelingen van volksverheffers hoeft niemand per se te twijfelen, maar de stelling dat het onderwijs een maatschappelijke bovenlaag in de kaart speelt door minder geprivilegieerden aan te leren hoe dom en onbeschaafd ze zijn, heeft onvoldoende bezinning opgeleverd. Ook al hebben spraakmakers het middelste woord uit de afkorting ABN intussen opgegeven.

In trek is voorts de opvatting dat het Algemeen Nederlands als erfgoed toebehoort aan alle gebieden die tot 1585 de Zeventien Provinciën vormden. De Nederlandse onderzoekster Nicoline van der Sijs heeft echter overtuigend laten zien hoe het Standaardnederlands werd gesmeed uit de omgangstaal van de stedelijke Hollandse burgerij. De protestanten uit Antwerpen en omstreken die na 1585 naar Amsterdam vluchtten, kwamen er nauwelijks aan te pas. Op de Statenbijbelvertaling van 1637, die voor de uniformisering van het Nederlands beslissend was, blijkt de zuidelijke invloed helemaal verwaarloosbaar. De conclusie is dat het Algemeen Nederlands door de Vlaamse beweging werd geïmporteerd, niet omdat die taal ooit in Belgiës Nederlandstalige provincies was gesproken, laat staan dat ze er was uitgevonden. De reden was dat men vreesde zonder noordelijke normen niet op te kunnen tegen het Frans, in de negentiende eeuw de lingua franca in Europa. Zij die toch pleitten voor een Standaardvlaams, of enige Vlaamse invloed op het Nederlands wenselijk vonden, werden weggezet als particularisten, toen al een weinig flatteuze kwalificatie.

De angst om voor provinciaal te worden versleten verminderde niet toen Franstaligen al gauw de achilleshiel van de Vlaming ontdekten: zijn vermeende ongearticuleerdheid. Vlaanderen had géén beschaafde omgangstaal ontwikkeld en de invoering van het Algemeen Nederlands liep er niet bepaald gesmeerd. Nog lang zou het heten dat Vlamingen zich bedienden van patois (een lot dat ze volgens het Franstalige establishment deelden met hun Waalse landgenoten). De Gentse ‘franskiljon’ Maurice Maeterlinck kon rond 1900 nog altijd vinden dat het Vlaams ‘un jargon vaseux’ was en een flamingant vooral te herkennen was aan zijn onvermogen om Frans te leren (een bewering die recent door Yves Leterme wellicht onbewust werd geparodieerd).

Dat Nederland evenmin hoog opliep met het Vlaamse beschavingspeil, hielp de zaak niet vooruit. ‘Ju, ju wat een grof volkje’, sakkerde de Nederlandse schrijver Lodewijk van Deyssel in 1891 over de Vlamingen. Zo primitief! Daar viel geen gesprek mee aan te knopen. Sommigen meenden dit letterlijk. Wat voor een vreemdsoortig taaltje werd er toch gebrabbeld in die Vlaamse steppen? Het was geen Frans, en ook geen Nederlands, en hoewel het regionale invloeden vertoonde, kon het evenmin dialect worden genoemd. Er ontstond al in de negentiende eeuw een Belgische variant van het Nederlands die zo’n beetje de status had van het Afrikaans, ook een van ver op ‘goed’ Nederlands gelijkende taal. En net als de Boeren uit Transvaal waren de Vlamingen, dixit Van Deyssels collega Albert Verwey, ‘gasten die men niet serieus neemt’.

Precies de drang om wél serieus te worden genomen, heeft A(B)N-promotoren in Vlaanderen opgehitst. Tot vandaag beschouwen zij Algemeen Nederlands als een onmisbare bouwsteen van de Vlaamse gemeenschap. Intussen kietelen niet alleen Franstaligen de Vlaamse achilleshiel. Vlaamse opiniemakers doen mee. ‘Als we zelf onze taal niet eerbiedigen, hoe kunnen we dan respect vragen vanwege onze anderstalige landgenoten?’, vraagt Mia Doornaert zich geregeld af. Ze wil vooral Vlaamse republikeinen op stang jagen, maar au fond stelt ze geen Vlaams-nationalistisch standpunt ter discussie. Ook als Nederlandstalige belgiciste vindt ze tussentaal verwerpelijk en het Algemeen Nederlands het ideaal. Iets ironisch heeft het wel. Als nevenproduct van een met de Belgische geschiedenis vervlochten taalstrijd zou het Verkavelingsvlaams net zo goed kunnen worden gekoesterd als Belgisch erfgoed bij uitnemendheid. Een gemiste kans?

De geboorte van een halftaal

De bestrijders van het Verkavelingsvlaams wrijven de Vlaming luiheid, onwil en onvermogen aan, maar zien nog andere verantwoordelijken: taalkundigen! Volgens Benno Barnard staan zij ‘verrukt’ toe te kijken ‘als het volk massaal een bepaalde taalfout begint te maken’. Mia Doornaert suggereert dan weer dat er ‘progressieven’ bestaan die alles al lang goed vinden als de boodschap maar aankomt. Die progressieven bestaan echter niet, laat staan dat ze onder linguïsten aan te treffen zouden zijn. De profeten van de Grote Taalverloedering zijn de verzonnen bliksemafleider, nodig om de strijd tegen Verkavelingsvlaams urgentie te geven en de indruk te wekken dat het volk uit de slachtoffers van die taal bestaat en niet uit de al dan niet enthousiaste sprekers ervan. Natuurlijk is het waar dat de psycho-, variatie- en sociolinguïstiek in Vlaanderen hebben bijgedragen tot meer inzicht in de functie van taalregisters, de symbolische status van taalvariëteiten en de oorzaken van taalfouten. Het gekke is evenwel dat die inzichten vaak kordaat overboord worden gekieperd van zodra cultuurpolitieke belangen op het spel staan. Sinds de Belgische onafhankelijkheid ijveren neerlandici in Vlaanderen voor de invoering en het goede gebruik van een beschaafde omgangstaal. En met nog meer bezieling hebben ze zich ingezet om ongewenste taalvariëteiten uit te roeien. Daar rekenden ze trouwens níét de dialecten toe, die als authentiek erfgoed van hen gerust mochten worden geliefkoosd.

De enige die zich echt heeft verzet tegen de stigmatisering van tussentaal, is de Antwerpse linguïst Jürgen Jaspers. De meeste andere taalwetenschappers bleven het tegen het Verkavelingsvlaams gerichte refrein vrolijk mee neurieën. Johan Taeldeman definieerde tussentaal als ‘verminkt Nederlands’, Magda Devos had het over een ‘ontaal’. Dirk Geeraerts stelde het Verkavelingsvlaams voor als een ziekte, door haar verspreiding te omschrijven als ‘endemisch, epidemisch’. Eigenlijk is het niet meer dan logisch dat schoolboeken de wetenschappelijke consensus volgen, maar de manier waarop ze dat doen tart werkelijk alles. Zo leert Taalkracht 10 onze kinderen dat tussentaal een ‘bedorven Nederlands’ is, ‘morsig en slecht’ en ‘gesproken door Vlamingen die dialecten achterlijk vinden’ en wonen ‘in bombastische villa’s met keurige tuintjes’. Lemma 4 spoort leerkrachten aan om hun leerlingen wijs te maken dat ‘hun taal nauwelijks nog dialect te noemen is, maar een vervelende tussentaal die het Nederlands geweld aandoet en de dialecten doet verwateren’.

Letterlijker nog dan de taalkundigen praten de leerkrachten Nederlands zo in feite Geert van Istendael na. Die toonaangevende schrijver mag zich de bedenker noemen van de term Verkavelingsvlaams. Het was het Nieuw Wereldtijdschrift dat zijn vondst lanceerde. Het bracht in 1988 een voorpublicatie uit Van Istendaels boek Het Belgisch labyrint of de schoonheid der wanstaltigheid, die enkele krasse observaties bevatte over de taal van de Vlaming. Deze sprong er retorisch bovenuit:

Er is iets nieuws, iets vuils de taal in de zuidelijke Nederlanden aan het aantasten. Een manke usurpator in kale kleren, maar hij heeft de verwaandheid en de lompheid van een parvenu. Hij heet Verkavelingsvlaams. Het is de taal die gesproken wordt in de betere villa’s op de verkavelde grond van onze verminkte dorpen. Het is de taal van de jongens en de meisjes die naar een deftige school gaan en andere kinderen uitlachen omdat die zo onbeschaafd praten.

‘Ik haat die nieuwe halftaal’, argumenteerde Van Istendael verder, ‘omdat ze mijn taal, het Nederlands, bedreigt en haar voedingsbodem, het dialect, vertrapt.’ Bij zoveel verbaal geweld bleef de toedracht van dit usurperen wazig en hoe de nieuwe ‘halftaal’ er uitzag werd al niet veel gedetailleerder aangegeven. ‘Oe noemde gij’ en ‘wadduur iest’, met deze zinnetjes begon en eindigde de beschrijving van het Verkavelingsvlaams. Verkavelingsvlaanderen wordt in Het Belgisch labyrint wel nog beschreven als de plek waar Vlamingen zich terugtrekken in ‘reukloze namaakboerderijtjes met de stinkende namaaknaam fermette’.

Van Istendaels retoriek, zijn verdichtingen en obsessies zijn ondoorgrondelijk, los van de vooronderstellingen en maniertjes die het publieke debat in de jaren 1980 kruidden. In een verzelfstandigend Vlaanderen kwam een cultuurstrijd op gang die nog niet is uitgewoed. Intellectuelen en artiesten knapten af op de snoeverige stijl en de op economie en technologie afgestemde visie van de Vlaamse Executieve, de voorloper van de Vlaamse regering. De favoriete schietschijf was Gaston Geens, de eerste voorzitter van die Executieve. Die riep de Derde Industriële Revolutie uit, stichtte de Flanders Technologybeurzen en muntte ook nog eens de slogan die tot vandaag als toppunt van Vlaamse patserigheid doorgaat: ‘Wat we zelf doen, doen we beter.’

Voor een intellectuele bovenlaag stond de hele Executieve voor zelfgenoegzaamheid en bekrompenheid, een begrippencombinatie die haast het ‘schild en vriend’ werd van wie nog maar een beetje artistiek-progressief wilde zijn. In zijn beroemd geworden lezing De pleinvrees der kanunniken beschuldigde Jozef Deleu de Vlamingen die zich vastklampten aan Geens’ adagium bijvoorbeeld van nijpende cultuurarmoede. Als een van de belangrijkste bewijzen daarvoor voerde hij een onvoltooide taalemancipatie op.

De klacht dat Vlaanderen halverwege een taalbeschavingsproces was klem geraakt, was een evergreen uit het repertoire van de Vlaamse beweging. Op het eind van de twintigste eeuw werd er echter een nieuwe strofe aan toegevoegd. Die handelde over de doorbraak van de Vlaamse Televisie Maatschappij. Nauwelijks was die zender in 1989 feestelijk voorgesteld of hij heette al de motor van een verschrikkelijke culturele verloedering. Profeten voorspelden dat spelprogramma’s als Rad van fortuin, Wedden dat en Blind date, sitcom à la Bompa en Nonkel Jef, en soap zoals Familie zouden leiden tot verkleutering en debilisering. Deleu noemde de VTM zelfs ‘een machine van verdomming’. Een extra geviseerd radertje in die machine was de taal die VTM op haar kijkers durfde los te laten. Niet toevallig gingen VTM-Vlaams en soap-Vlaams circuleren als synoniemen van Verkavelingsvlaams. Daarbij kwam dat Vlamingen door VTM niet langer hun vertier op Nederlandse zenders gingen zoeken. Al gauw klonk de klacht dat de commerciële tv Vlaanderen loskoppelde van het voor zijn beschavingspeil levensnoodzakelijk geachte infuus uit Nederland.

Nog voor Mike en Guido de eerste verjaardag van hun onderneming konden vieren, was ‘degoutante VT-emmer’ uitgegroeid tot een scheldwoord. Jan De Wilde registreerde het in 1990 in zijn spotnamenrevue ‘Hé hé’. In ‘Hoe noemdegij?’ parodieerde dezelfde liedjessmid wat later het patois van de Vlamingen die van VTM een podium kregen. Een deelnemer aan het Rad van fortuin stelt zich in dit lied aan gastheer Walter Capiau voor met de zinsnede: ‘Wel, euh, Walter, ’k ga u zeggen, ’k noem Decabouter Lowie Giljom.’ Het zit er allemaal in: het gestamel, de verwarring tussen noemen en heten, het vervlaamste Frans. Een verrassing is het niet dat deze kabouter ‘werkzaam’ blijkt als boekhouder en de trotse bezitter is van een ‘ongehypothekeerde fermette’. Wat al die degoutante VT-emmers en fermettebewoners van deze hele atmosfeer vonden, was lange tijd onbelangrijk. Dat zij zich in stemhokjes almaar onwelgevalliger gingen gedragen, was volgens de analisten toch alleen maar te wijten aan ingebakken provincialisme en aangeboren intolerantie.

Verder lezen: Knack Wereldtijdschrift 3 (herfst 2011).

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s