Vertaalslag (gastprogramma)

Met vreugde en van blijde verwachting vervuld maakt de Manke Usurpator deze zondagavond ruimte voor een gastprogramma. Het wordt uitgestraald door Marc Kregting (1965). Kregting, in Breda geboren, maar al geruime tijd in Vlaanderen voor anker liggend, dicht, bericht, polemiseert, becommentarieert en blogt (hier en hier), en is bovenal een vinnige observator van het culturele verschil.

Vertaalslag

Het verschil als van dag en nacht tussen België en Nederland strekt zich uiteraard ook uit over de taal, de motor voor basaal begrip. Jonge voorgelezenen moeten evengoed creativiteit, empathie en verhitte verbeelding uit de kast halen om uit hun vakliteratuur tot een vergelijk te komen.

Zo is ons drieënhalfjarige taalkundig genie S., na het succes dat de gebonden editie van Bobbi op het potje bij haar verwekt heeft, begonnen in de Noord-Nederlandse pageturner De dag dat… ik mijn speen wegdeed. Bij de titel ontstaat voor haar meteen een raadsel rond de niet geheel onbelangrijke ‘speen’, dat door het synoniem ‘tutje’ eenvoudig opgelost kan worden. Dat is echter schrijftaal, want gesproken hebben we het over een ‘tuutje’. En dat woord betekent in Noord-Brabant, waar ik geboren en getogen ben, iets anders. Ik weet dat uit Rituelen uit 1980 van Cees Nooteboom. In die roman slingert een vrouwelijk bijpersonage uit die provincie precies deze term naar het geslachtsdeel van een mannelijke hoofdpersoon, om er diens besnedenheid mee aan te duiden: ‘Moar ge hèt gin tuutje’. Wat ingewikkeld om aan S. uit te leggen, maar zulke verwarring kan op termijn beter bestreden worden.

Voor een door het moderne tijdsgewoel in zijn welwillendheid toch al onzeker geraakte ouder is het een klus om het gebied rond de lendenstreek tweelandelijk in kaart te brengen. Gelukkig werden er voorbereidingen getroffen door Jeroen Brouwers. Hij legde uit dat in een Vlaamse roman bij grachtengordeluitgeverijen een rokje dan wel kort kan zijn, maar ook weer niet zo kort dat Amsterdam permanent tussen Sodom en Gomorra ligt: een dan zichtbaar wordende ‘bil’ duidt op een lichaamsdeel dat in het Noord-Nederlands ‘dij’ heet. Zelf besefte ik toen meteen waarom sommige Vlamingen mijn werk ronduit onbegrijpelijk vinden, geworteld als het is in de traditie van de belligerente literator van onze familie, mijn KNIL-opa Christiaan Kregting, die ooit aan het rijmen sloeg voor een prijsvraag van een bepaald wasmerk: ‘Zelfs de billen van een homo / krijg je schoon met Omo’.

Van een nog grotere complexiteit lijkt me de bilaterale wanorde rond het woord ‘poep’. Ten noorden van de Moerdijk slaat dat op iets waar S., in combinatie met ‘scheetjes’, veel over spreekt, maar waarvoor zij een alternatieve betiteling heeft. Die zorgde voor consternatie tijdens het recentste wereldkampioenschap voetbal, toen bij Nederland-Brazilië een dreigend uitgesproken observatie van de commentator mij de zenuwen gaf en haar de slappe lach: ‘Kaka aan de bal’. In België is ‘poep’ daarentegen een equivalent van twee noordelijke billen (en dus niet van een dij). Ik moet me dat altijd goed inprenten indien ik op familiebezoek ga en niet al in de trein tot pedagogische dadaïst gedegradeerd wil worden wanneer ik ten einde raad mijn dochter toeroep: ‘Ga op je poep zitten’. Voor de werkelijkheid die deze uitdrukking in mijn geboorteland schept, zij verwezen naar het oeuvre van Markies De Sade.

Een nieuwe dimensie aan de onderbuikdeemstering gaf een boek dat S. onlangs cadeau kreeg van genoemde familie. Het was een internationale beststeller van Werner Holzwarth uit 1989, met tekeningen van Wolf Erlbruch: Vom kleinen Maulwurf, der wissen wollte, wer ihm auf den Kopf gemacht hat. Het boek is zelfs vertaald in het Fries, dat geen dialect is maar een heuse taal: Fan de lytse mol, dy’t witte wol wa’t him op ‘e kop skiten hat. Ook daarin beleefde het, haha, herdruk na herdruk.

Voor de aan S. geschonken vertaling in het Nederlands, waarvan de eerste editie in 1990 op de markt kwam, tekende de ervaren Ineke Ris. Zij vond het één van de allerleukste opdrachten uit haar loopbaan. En een succes blijkt het ook. Naast de reguliere versie is er een gebonden editie van, een mini-uitgave, al dan niet met een pluchen mol erbij, een kartonboekje en een pop-up, wat dat ook moge wezen. Die anklang komt wellicht mede doordat het boek praktische diensten bewijst. Een rijpere lezer getuigde: ‘Mijn jongste vond het nooit leuk om naar het toilet te gaan, maar met dit boekje bij de hand lukte het wel.’ Zelf zou ik willen wijzen op de titel, die de lading van het boek dekt maar me aan de pregnante kant dunkt: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft.

Voor Noord-Nederlanders van alle leeftijden is meteen duidelijk wat de dramatische actie is; kenners van de specifieke lyrische traditie aldaar zullen mogelijk zelfs De Raggende Manne een milde comeback horen maken. Ten zuiden van de Moerdijk zullen de wenkbrauwen echter gaan fronsen. De jongeren onder hen zijn makkelijk bij te lichten, uitgaand van het gulle alternatief van mijn dochter en krijgen er dan een alliteratie bij cadeau: Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop kaka heeft gedaan. Omdat ook dit kinderboek de muzikale structuur in een vraag- en antwoordspel heeft en de notoir bijziende mol bij zo’n beetje elk denkbaar dier informeert of die op zijn kop kaka heeft gedaan en daar steeds een ontkenning op volgt, ontstaat er gaandeweg bij de voorlezer hooguit uithoudingsvermogen- en concentratiehinder bij de geïmproviseerde vertaling naar het Vlaams. Gelukkig blijft de geest fris omdat het betreffende dier ook telkens de technische term voor zijn uitwerpsel laat vallen, van vijg over keutel naar vla.

Oudere Vlamingen vanaf ongeveer twaalf jaar hebben bij de titel Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn kop gepoept heeft geheel andere associaties, omdat ‘poepen’ slang is voor cohabiteren, wat bijna Latijn is voor de oudste beweging der wereld. Ik noem die dode taal mede, omdat ze verbonden is met katholiek onderwijs en dus op tragische wijze ook met de onherroepelijkheden die heden expliciet in het nieuws zijn. Een van de bizarre details rond het seksueel misbruik is dat de slachtoffers in het openbaar de criminelen bij hun weinig tot de fantasie overlatende bijnaam noemden, zonder dat er iets gebeurde, laat staan veranderde. Tot die bijnamen behoorden niet alleen de trekker en den bok maar ook poepke. Dat was toen. Na de recente televisiereeks Van vlees en bloed die gaat over een slagersfamilie in de Kempen, schijnt de outdoorvariant ‘bospoepen’ een nationale sport geworden voor door de week en in het weekend.

Dat de vertaling van dit boek is geïnitieerd door uitgeverij C. de Vries-Brouwers b.v.b.a., die volgens het colofon Antwerps-Rotterdams is maar in eerstgenoemde Vlaamse stad gevestigd blijkt en sinds 1946 actief, maakt de gekozen titel nog pregnanter. Ze is gericht op de Noord-Nederlandse markt, waar de meeste lezers zijn en waar sinds jaar en dag, ondanks Christoffel Plantijn wiens vruchten misschien niet voor niets door de UNESCO tot het werelderfgoed worden gerekend, het epicentrum van het literatuurbedrijf ligt. Dat anders gezegd heden het zuidelijke filiaal van een klaarblijkelijk tweelandelijke firma akkoord gaat met een titel die het profijt en het begrip elders legt, is een vorm van aanpassing die een lange geschiedenis heeft. Evengoed kan het dat de vertaalster, afkomstig uit Noord-Nederland, geen weet heeft van de bijkomende betekenis van ‘poepen’ in Zuid-Nederland. Ook dat gebrek aan kennis heeft een respectabele traditie.

Of de titelacrobatiek nu dus berust op accommodatie of desinteresse, ik weet niet of onze S. ervan op de hoogte moet worden gesteld. Wel doet ze nog geen jaar met oneindig veel plezier aan ‘kleutergym’ en heeft ze last van een flonkerend geheugen. Na kennisname van de plot antwoordt ze op de allereerste van de ontelbaar vaak herhaalde vraag van de mol wie er kaka heeft gedaan op zijn kop: ‘Het is Bullebak, het is de hond van de slager!’ En wanneer de protagonist, door S. meestal Molly de Mol genoemd (naar het gelijknamige boek van Kate Veale waar dat dier in een vuilnisbak valt en vervolgens slechts uit de gemeentestortplaats weet te ontsnappen door een slakkenspoor van zijn vriendin Lilly Gelatine), na toepassing van het principe oog om oog, tand om tand kan wederkeren naar waar hij vandaan kwam, blijkt haar eindoordeel altijd weer relevant: ‘De mol gaat terug in zijn hol’.

Marc Kregting

Advertenties

5 comments

  1. Van bilaterale wanorde geschreven. De Vlaamse auteur en opiniemaker Tom Naegels betreurt bij gelegenheid dat Vlaanderen en Nederland verder uit elkaar drijven – hij noemde Vlaanderen enkele maanden geleden in De Standaard nog een ‘geamputeerde periferie’. Toch meent hij te kunnen constateren dat het in Vlaanderen gesproken en geschreven Nederlands steeds meer aan de standaard beantwoord. In het landsgedeelte waar Vlaanderen zich van heeft ‘geamputeerd’ schijnt men daar enigszins anders over te oordelen. Naegels’ roman Beleg (2009) werd in oktober samen met nieuw werk van Annelies Verbeke en Pael Baeten Gronda door Arie Storm in de Amsterdamse krant Het Parool als ‘vrijwel onleesbaar’ afgeserveerd. En zowat volledig buiten zijn wil om slaagt de criticus erin zijn punt pijnlijk duidelijk te maken: ‘Wat opvalt als je drie romans van drie tamelijk jonge Belgen achter elkaar leest, is dat ze zo Vlaams schrijven, tot voor Nederlanders op het vrijwel onleesbare af. Sla Tom Naegels open en je leest: “Het is zo typisch voor Suzanna dat ze er altijd over gaat.” Uit de context valt te begrijpen dat wordt bedoeld dat Suzanna vaak over een bepaald onderwerp praat, maar zo drukken wij dat toch niet uit.’
    Zo drukken ‘wij’ dat natuurlijk ook niet uit. ‘Erover gaan’ betekent hier plusminus ‘overdrijven’. Uit de context valt in ieder geval af te leiden dat Storms interpretatie niet kan kloppen. Goed dat Tom Naegels een en ander heeft ingecalculeerd: ‘Het centrum heeft traditioneel weinig aandacht voor de periferie; kom je uit de provincie, dan moet je harder werken, da’s een wet van alle tijden.’
    En overigens heeft RTBF-journalist Christophe Deborsu het vandaag in De Standaard over Belgicismen, Verkavelingsvlaams en dialect. Mia Doornaert zal in de wolken zijn! Deborsu documenteert immers haar grootste vrees, namelijk dat Franstalige Belgen Nederlands leren intussen ‘tijdverspilling’ vinden, omdat ze in die geamputeerde periferie toch ‘allemaal dialect spreken’.

  2. Misschien resoneerde in Arie Storms’ taalbewustzijn de Noord-Nederlandse uitdrukking ‘er overheen gaan’, ook een equivalent voor het Vlaamse ‘poepen’, met dien verstande dat de spreekrichting nogal eenzijdig is: ‘er’ verwijst naar een schijnbaar willekeurig vrouwelijk lichaam.
    Overigens lijkt behalve kritiek ook lof over de landsgrenzen nooit fijn. Dat Lanoye de Tzum-prijs 2010 werd toebedacht voor een zin waarin het woord ‘lavabootje’ de jury erg beviel, maakt het in ontvangst nemen van de eer niet gemakkelijk. Sterker, toen een landgenote van hem zich bij de bekendmaking in het openbaar afvroeg ‘Wordt een mens verondersteld die “zin” te verstaan?’ kreeg ze vanuit de jury het antwoord ‘bedoel je met “verstaan” begrijpen?’

  3. Ach, de door Nederlanders geveinsde onverstaanbaarheid van Vlamingen. Een periferie zou er met wellust van aan het amputeren slaan. Toen Tom Lanoye in de zomer van 2009 in een opiniestuk over de Vlaams minister van Cultuur Joke Schauvliege het woord ‘jobinterview’ gebruikte, vond Frans Boogaert het lollig om daar in een commentaar in het Nederlandse Algemeen Dagblad tussen haakjes aan toe te voegen: ‘Wij zouden dat sollicitatiegesprek noemen’.
    Link: http://www.ovv.be/page.php?ID=3164.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s