We komen nog altijd van ver

Marc Reugebrink, de uit Groningen afkomstige, maar al jarenlang in België verblijvende schrijver van o.a. Het grote uitstel (2007), heeft het op zijn blog De Inwijkeling naar aanleiding van zijn dit najaar te verschijnen roman Menens over zijn vervlaamsende taal. Terloops werpt hij enig licht op de redactiepraktijk van zijn uitgeverij, het Meulenhoff/Manteau van Harold Polis, dat door drastische herschikkingen in het laaglandse boekbedrijf per 1 januari 2011 als De Bezige Bij-Antwerpen zal verder varen:

“Inmiddels bleek bij het doornemen van achtereenvolgens de persklaarversie en de eerste drukproef dat het aandeel ‘Vlaams’ in mijn taalgebruik hand over hand toeneemt. Ik ben in dat opzicht geen purist en sta zelfs ronduit vijandig tegenover wat er uit het Hollandse uitgeverswezen zoal aan belachelijke voorschriften wordt uitgevaardigd. Bijna geen van de vele zaken die de puristische corrector van dienst in de drukproef had aangestreept, kon echt fout genoemd worden. En aan de opmerking dat sommige woorden misschien ‘archaïsch’ zouden zijn — in Nederland doet men altijd net alsof in Vlaanderen een soort Nederlands wordt gebezigd dat ‘achterloopt’ (altijd diezelfde paternalistische houding: men komt in Vlaanderen ook heus nog wel eens zo ver als in Nederland, hoor) — had ik geen boodschap. Ik ben geen Hollandse schrijver, al ben ik dan ook geenszins een Vlaamse auteur. Mijn taal draagt de sporen van 12 jaar verblijf in Vlaanderen. Dat geldt voor de manier waarop ik praat (Nederlandse vrienden vinden bijna dat ik me aanstel; Vlaamse vrienden horen vooral hoe Hollands ik blijf klinken); het geldt ook voor de manier waarop ik schrijf.”

Het Hollandse paternalisme dat Reugebrink  signaleert, heeft een even lange als hilarische voorgeschiedenis en is opmerkelijk genoeg deels door opzettelijke Vlaamse onderdanigheid aangejaagd. Nog niet zo lang geleden noteerde een manke usurpator hierover:

“Om de Vlaamse (of Nederlandstalig-Belgische) natie op te stoten in de vaart der volkeren en tegen de dominante Franstalig-Belgische cultuur weerbaar te maken, hebben de eerste generaties flaminganten een geïdealiseerd beeld van Nederland in stand gehouden. Vlamingen moesten zich aan hun broedervolk in het Noorden spiegelen door onder meer hun taal, stijl en culturele gewoonten zo goed mogelijk over te nemen. Dit stimuleerde een verregaande imitatiedrang: het ‘zuiden’ had een achterstand op het ‘noorden’ die het met alle moeite van de wereld moest en zou goedmaken. Hoewel de Vlaamse Beweging nooit een homogeen blok heeft gevormd en zeker tot de Tweede Wereldoorlog onder meer katholieken, antiklerikalen, liberalen, socialisten, belgicisten, Groot-Nederlanders, fascisten en communisten in haar geledingen heeft geteld, waren haar woordvoerders het op dit punt altijd roerend eens: de Vlaming kwam van ver!

Om het Vlaamse volk te ontvoogden is men dus voortdurend zijn ‘achterstand’ gaan benadrukken, niet in de laatste plaats door gemeenplaatsen in te zetten zoals Ons Beotië en Arm Vlaanderen. Het paradoxale neveneffect van deze in eindeloos veel variaties en verschillende contexten herhaalde boodschap was dat de natie juist een niet onbelangrijk onderdeel van haar emancipatie letterlijk werd ontzegd. De wijze waarop almaar werd gescandeerd dat de Vlaming zich moest verheffen, verhinderde namelijk dat in Vlaanderen een zelfstandig cultureel gezag tot stand kon komen. In het bijzonder de autoriteit om ‘goede’ van ‘slechte’ taal en ‘waardevolle’ van ‘waardeloze’ literatuur te onderscheiden werd vrijwillig aan Nederland afgestaan.

Met de hen toebedeelde autoriteit zijn Nederlanders op diverse manieren omgesprongen. Als zelfverklaard woordvoerder van Hollands ‘heusche artisten’ vond Willem Kloos aan het eind van de negentiende eeuw bijvoorbeeld dat Vlaanderen toch maar beter ‘een eigen, onafhankelijke, oorspronkelijke kunst’ kon creëren. Precies omdat de Vlamingen teerden ‘op den literairen afval der broeders in het Noorden’, bestond er in Nederland volgens deze romantisch-getormenteerde, maar verfijnde dichter-essayist een ‘antipathie […] tegen alles wat Vlaamsch is’. De geraffineerde polemicus en essayist Lodewijk van Deyssel, Kloos’ collega in de redactie van het avant-gardistische blad De Nieuwe Gids, schepte dan weer vooral plezier in de onbeholpen pogingen tot emancipatie van het ‘groffe volkje’ bezuiden Roosendaal. ‘Het is ongelooflijk, welk eene hoeveelheid riemen papier die lieden hebben vol-geschreven om te laten zien, dat zij, letterkundig, bij Holland hooren’, noteerde hij in 1891 over de Vlamingen. ‘Muren van boekdeelen hebben zij uitgegeven […] om hun nationaliteit tegen Waalschen en Franschen invloed te beveiligen. […] Het is abominabel onheusch om menschen, die zoo veel avances doen, niet een beetje vriendelijk te ontvangen. Maar ’t kán niet, ’t is góds-onmogelijk. De hoofdzaak is die volkomen afwezigheid van eenige fijnheid, hoe en waarin ook. Dit maakt het ook ondoenlijk hun te beduiden wat hun ontbreekt. Je kon net zoo goed aan een boom gaan uitleggen hoe hij een buiging moet maken. Die menschen zijn allemaal goed, rein, lief, braaf, trouwhartig, edelaardig, geest-driftig (nou!) gemoedelijk, minzaam, licht-geroerd, medelijdend, verliefd en arbeidzaam. Maar ze zijn in alles even grof, en er is geen gesprek met hen te voeren.’

Dat er geen gesprek met dit zuidelijke broeder- en zustervolk te voeren was, meenden sommigen letterlijk. Wat voor een vreemdsoortig taaltje brabbelden die letterkundigen daar toch in die barre Vlaamse steppen? Het was geen Frans, het was ook geen Nederlands, en hoewel er duidelijk vele regionale invloeden in te bespeuren waren, kon het ook geen dialect meer worden genoemd. Er ontstond al in de negentiende eeuw een Belgische variant van het Nederlands die toen zo’n beetje de status had van het Afrikaans, ook een van ver op ‘goed’ Nederlands gelijkende taal. Net als de bevolking van de Transvaal waren de Vlamingen, dixit de Nederlandse schrijver en Nieuwe Gids’er Albert Verwey, ‘gasten die men niet serieus neemt’.

Ook in Vlaanderen actieve taalkundigen vonden dat de letterkundigen er zich een erbarmelijk taaltje aandeden. De Gentse hoogleraar Willem De Vreese vatte de ‘Zuidnederlandsche’  letterkunde van 1830 tot 1900 samen als ‘eene doorlopende cacographie’. Hippoliet Meert, die in 1895 het Algemeen Nederlands Verbond stichtte, noteerde dat geen enkele Vlaamse schrijver ‘onberispelijk’ schreef. Na deze taalzuiveraars hebben ook anderen getracht het vele ‘onkruid’ tussen de ‘tarwe’ te wieden, allereerst de zeer in het bijzonder verfoeide gallicismen. Met wisselend succes.”

Advertenties

3 comments

  1. Schandalig wat die Hollanders over ons zeiden. En wij hebben de standaardtaal van die mensen overgenomen? Ik zou gezegd hebben: de pot op met dat AN, wij maken een eigen Vlaamse standaardtaal. Maar ja, de geschiedenis heeft daar anders over beslist.

  2. Beste Robin,
    Hartelijk dank voor je reactie, die uit het hart gegrepen lijkt. Als de uitspraken hierboven tegen hun historische achtergrond worden geplaatst, zal je misschien enige clementie kunnen opbrengen voor ‘die Hollanders’ – en trouwens ook voor de door jou niet genoemde Vlamingen die zich naar onze huidige normen ook flink wat meenden te kunnen ‘permitteren’ in hun oordeel over de taal van Vlamingen (en bovendien vaak een-tweetjes opzetten met Nederlandse intellectuelen en schrijvers om hun punt te kunnen maken. De snoodaards!).
    De letterkundigen, filologen en andere taalminnaren, die het bonte gezelschap vormden dat zich sinds de jaren 1840 als een ‘Vlaamse Beweging’ heeft gemanifesteerd, hebben de hele negentiende eeuw gediscussieerd over strategieën om een Nederlandse taal te laten overleven in het toen zoals bekend door Franstaligheid gedomineerde België. De kwestie spitste zich al gauw toe op de vraag of er een nieuwe, eigen standaardtaal moest worden gecreëerd, dan wel of de taal die zich in Nederland tot algemene schrijf- en spreektaal had ontwikkeld geïmporteerd moest worden. De zogenaamde ‘orangisten’ argumenteerden dat een Standaardvlaams onvoldoende status zou verwerven. Bovendien vonden ze het in België gebezigde Nederlands vervuild door gallicismen en andere slecht verteerde invloeden van buitenaf. Zij die ijverden voor een Standaardvlaams of voor een of andere light versie daarvan – een met wat Belgische eigenaardigheden aangelengd Nederlands – zijn naderhand door hun tegenstanders ‘particularisten’ gedoopt. Die particularisten (die niet allemaal over dezelfde kam kunnen worden geschoren) verloren inderdaad het pleit. Nadat de politieke spanningen tussen Nederland en België geluwd waren, leek de overname van het in het Noorden gevestigde Standaardnederlands simpelweg het verstandigst.
    ‘Leek’ schrijf ik, want ik zou durven te beweren dat ook het aanvaarden van het Frans als standaardtaal niet per se een ‘onverstandige’ optie kan worden genoemd. Zo zijn er alvast schrijvers en intellectuelen die precies die keuze hebben gemaakt. Een notoir voorbeeld is Maurice Maeterlinck. Deze in Gent geboren Nobelprijswinnaar beweerde bij het begin van de 20ste eeuw overigens nog dat wie in het Vlaams schreef te lui was om Frans te leren – waar hebben we iets vergelijkbaars nog gehoord?
    De optie voor het Frans – in de negentiende eeuw evenaarde deze taal minstens de status van het Latijn in de Middeleeuwen en de status van het Engels anno 2010 – wordt vandaag maar weinig ter sprake gebracht. Als Mia Doornaert, Geert van Istendael, Marc Reynebeau en andere opiniemakers zich druk maken over de zich aan provincialisme en taalgemakzucht bezondigende Vlaming dan luidt hun remedie altijd: als de bliksem aansluiting vinden bij het Standaardnederlands om ‘beschaafd’ te lijken en zo ‘verstaanbaar’ mogelijk te zijn. Ze stellen die oplossing ook als de enige rationele voor. Maar hoe ‘rationeel’ is die oplossing op de keper beschouwd? Wie werkelijk die doelstellingen en alleen die doelstellingen voor ogen heeft, zou net zo goed Engels kunnen gaan praten en schrijven. Die taal lijkt vandaag beslist niet moeilijker leerbaar voor de Vlaming dan het Noordnederlands dat was in de negentiende eeuw. In het licht van alle zogenaamd ‘rationalistische’ argumenten schijnt de keuze voor het Nederlands in de negentiende eeuw ook al weinig logisch (het Frans was toen de meest voor de hand liggende optie geweest om het Vlaamse volk te emanciperen). Trouwens: als het dan toch om verstaanbaarheid en universaliteit hoort te gaan: waarom leren we dan niet met z’n allen op deze wereldbol Volapük of Esperanto? In de praktijk blijkt niemand dat te willen, ook niet diegenen die volhouden alleen maar aan volksbeschaving te doen en niet luid genoeg kunnen roepen dat ze zeker niet ‘nationalistisch’ zijn. Opvattingen over taal zijn doorgaans heel erg complex maar onvermijdelijk lijken ze te zijn vervlochten met culturele betekenissen en identiteitsissues. Die issues stel je indirect aan de orde in je reactie als je ‘Hollanders’ (‘die mensen’) plaatst tegenover ‘ons’. Met die ‘ons’ bedoel je in de eerste plaats natuurlijk 19-de eeuwse Vlamingen. Strikt genomen kunnen die niet meer ‘onder ons’ zijn. Omdat je je echter wil identificeren met mensen die hier twee eeuwen geleden woonden, wordt ‘ons’ plots weer wél denkbaar. Met dit soort identificatieprocessen is op zich helemaal niets mis – identificatie kan juist waardevolle sociale reacties stimuleren zoals empathie en betrokkenheid –, maar het is van belang om er enig inzicht in te krijgen. Net zoals het natuurlijk van belang is om het mechanisme als dusdanig te leren respecteren, ook al willen ‘we’ ‘ons’ lang niet altijd met dezelfde personen, groepen of idealen identificeren.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s