De manke usurpator zet een stapje in de wereld

Op donderdag 29 april 2010 werd in de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (KANTL) in Gent een hele dag gedebatteerd over “Belgisch Nederlands in het spanningsveld tussen Verkavelingsvlaams en standaardtaal”. De manke usurpator legde er zijn oor te luisteren.

Joop van der Horst beet de spits af met een lezing waarin hij voortborduurde op de ophefmakende stelling die hij twee jaar geleden lanceerde in zijn boek Het einde van de standaardtaal: de renaissancistische taalcultuur en de standaardtalen die daarvan het product zijn, zijn gedoemd te verdwijnen, en daar valt niet veel aan te doen. Na lezing van het boek noemde Benno Barnard taalkundigen als van der Horst “gevaarlijke gekken, die het liefste alle lichten bij het kruispunt weghalen en vervolgens blijmoedig de botsingen gaan zitten bekijken”, een metafoor die zijn spitsbroeder Geert van Istendael in de KANTL recycleerde in de rede ‘Verkavelingsvlaams: hoe verder?’ Daarin bejubelde hij het Nederlands weliswaar als een “kakelbont” en “zalig anarchistisch zootje” van “wel duizend manieren van spreken, evenveel als er mensen bestaan”, maar die afwijkingen van de norm als even legitieme varianten beschouwen als de norm zelf, laat staan één van die varianten als “Vlaams” betitelen, was voor van Istendael meer dan een brug te ver. Een dergelijk standpunt is behalve onwetenschappelijk en reactionair ook ultraliberaal te noemen, aldus van Istendael: “u gelooft te veel in de vrije markt van de taal”, sprak hij de taalkundigen in het publiek vermanend toe, en hij drukte hen op het hart dat onze taal “gesnoeid, bemest en geleid” moet worden, anders is het binnen afzienbare tijd met onze taal gedaan.

Van Istendaels pleidooi voor het betere taaltuinierwerk werd op enthousiast applaus onthaald door het KANTL-publiek. Dat bleek voor een groot deel te bestaan uit bezorgde taalliefhebbers, die het Nederlands ten onder zien gaan aan het gestaag voortwoekerende Verkavelingsvlaams, en in de KANTL hoopten enig soelaas te vinden: een plek om het hart te luchten en, als het even meezat, ook enkele gemotiveerde taalhoveniers die bereid zouden zijn de snoeischaar te hanteren.

En het zát mee. Van der Horsts betoog tegen taalpolitiek ingrijpen van taalkundigen mocht de gemoederen dan wat verhit hebben, het publiek vond geruststelling dankzij het vrijwel eensgezinde pleit van de overige taalkundigen die de revue passeerden voor het behoud van één norm voor het Nederlands, op de openbare omroep (VRT-taaladviseur Ruud Hendrickx), in woordenboeken (Peter Debrabandere) en in het onderwijs van het Nederlands in ons grote buitenland (Ann Marynissen, Joseph Vromans). Voorbeelden van “buitenlandse desinformatie” waarin gewag werd gemaakt van “de Vlaamse taal, een variant van het Nederlands” werden door het publiek op luid hoongelach onthaald, tegen de bierkaai vechtende leerkrachten Nederlands kregen een hart onder de riem en werden aangemoedigd om door te gaan “tot ze erbij neervallen”, en Ruud Hendrickx kreeg warme steunbetuigingen uit het publiek om het Standaardnederlands op de omroep van de oprukkende brabantisering te blijven vrijwaren.

Niettemin gingen vrijwel alle sprekers er van uit dat het Belgisch Nederlands toch dat tikkeltje anders is en mag zijn dan het Noordnederlands, en dan met name in zijn woordenschat. Zo durfde Dirk Geeraerts te spreken van een ‘Algemeen Belgisch Nederlands’, er aan toevoegend dat die variëteit duidelijk onderscheidbaar is van het Verkavelingsvlaams. Het was Peter Debrabandere die vervolgens de vinger op de wonde legde, door enkele ‘typisch Belgische’ lemmata en hun behandeling in een resem verklarende woordenboeken en taaladviesbronnen eens op een rijtje te zetten. Over de status van woorden en uitdrukkingen als aan x euro, magazijnier, wandelen sturen, legislatuur en de boeken neerleggen bleken de makers van die werken het allerminst eens te zijn.

De manke usurpator stond er bij en keek er naar. Vrijwel unisono weerklonk die donderdag in de KANTL de overtuiging dat “een norm nodig is”. Maar hoe die norm er dan uitziet of moet uitzien, en waar precies de grens ligt tussen het ‘verzorgde’ Belgische Nederlands en het te mijden Verkavelingsvlaams: het bleef allemaal een beetje flou, net als vragen waar de norm vandaan komt, wie hem bepaalt, en op basis van welke criteria. Enkele sprekers deden een poging door Algemeen Belgisch Nederlands te definiëren als die taalelementen die “in Vlaanderen als normatief gelden”, al dan niet gevolgd door het vertrouwde “bij de spraakmakende gemeente”. Zulke pogingen tot een wat descriptievere benadering van de norm (‘de norm is wat (al dan niet spraakmakende) taalgebruikers als normatief aanvoelen’) zijn vanzelfsprekend lovenswaardig. Maar voelen taalgebruikers iets zo maar als ‘norm’ aan? Halen ze die normopvattingen niet altijd ergens vandaan, bijvoorbeeld uit de woordenboeken en adviezen die Debrabandere opsomde, en gebeurt ultiem de schifting tussen wat tot het ‘verzorgde Belgisch Nederlands’ en wat tot het ‘Verkavelingsvlaams’ behoort, niet door het selecte clubje dat die woordenboeken en taaladviezen maakt? Het lijkt er soms op dat taaladviseurs en woordenboekmakers zich wel laten leiden door de frequentie en de distributie van bepaalde uitdrukkingen, maar zich vervolgens toch genoodzaakt voelen om zelf te beslissen of die tot de norm mogen behoren of niet (en daarbij kunnen ze duidelijk al eens van mening verschillen). Of hoe kan er anders nog zoiets bestaan als “een frequente fout”? Waarom anders blijft men pakweg het pronomen gij, waarvan zowat alle Vlamingen zich bedienen, behalve dan dat handvol dat zich die donderdag in de KANTL bevond, als Verkavelingsvlaams bestempelen?

Het colloquium leverde tal van boeiende discussies op en was een groot succes. Alleen al de grote opkomst bewees dat het thema Verkavelingsvlaams, twintig jaar nadat het begrip door Geert van Istendael werd bedacht, de geesten nog altijd beroert. Uit de lezingen en de discussies bleek een oprechte bezorgdheid en een grote strijdvaardigheid, maar tegelijk ook heel wat onzekerheid. Ook de manke usurpator bleef na een dagje KANTL met vragen achter. Onder andere deze: als we het er allemaal over eens zijn dat we normen nodig hebben, moeten we ons dan niet eens beginnen af te vragen wat voor normen we dan wel willen? Hoe in- of exclusief mogen ze zijn? En wie mag dat bepalen? Of nog: waar moet de haag om onze taaltuin geplant worden? Hoe fors moet er gewied worden? Mag de tuin misschien ietsje wilder dan voorheen? En aan wie kunnen we de snoeischaar toevertrouwen?

Advertenties

2 comments

  1. Het probleem van wat als norm voor het Belgisch Nederlands moet gelden is de reden waarom die variëteit #1 behaald op mijne weliswaar korte lijst van favoriete con-talen. :p

  2. Dat enthousiaste applaus van de neerlandistische elite in de zaal na Van Istendaels pleidooi is gelukkig maar gedempt tot mij doorgedrongen in de gang. 🙂

    Wat me die dag vooral opgevallen is, is de angst die bij velen leeft dat het Nederlands zou kunnen verdwijnen door taalvarianten “te tolereren”. Dat zie ik helemaal anders en zo sluit ik me ook volledig aan bij Désirée Schyns en Philippe Noble (cfr. Ons Erfdeel 2008/2): “Als je niet wil dat beide varianten uit elkaar groeien […] dan moet je je volgens ons veel toleranter opstellen ten opzichte van varianten. […] De norm in het Nederlandse taalgebied zou dus wat ons betreft ruimer opgevat moeten worden.” Op zich is het normaal dat onze (gemeenschappelijke) norm de Noord-Nederlandse is omdat we die norm in België ooit zelf overgenomen hebben in tijden waarin we geen andere keuze hadden. Maar die tijden zijn ondertussen veranderd en dus mag onze (gemeenschappelijke) norm gerust wat toleranter t.o.v. Belgisch-Nederlandse inbreng worden zeker op lexicaal vlak.
    Voor mij is het colloquium dan ook op een positieve noot geëindigd toen ik vanuit de gang plots een (onmiskenbaar) Nederlandse stem de volgende opmerking hoorde maken: “Ik zou graag zien dat er in Nederland meer openheid is voor het opnemen van Vlaamse woorden en uitdrukkingen in het Nederlands”. De man in kwestie had het – jawel – over een “verrijking van het Nederlands”. Daaraan wil ik gewoon nog toevoegen: ik zou graag zien dat er in België meer openheid is voor het opnemen van Vlaamse/Belgisch-Nederlandse woorden en uitdrukkingen in het geschreven/gepubliceerde Nederlands. Want we zijn meesters in de zelfcensuur wanneer het op ons taalgebruik aankomt en zo is het Nederlands dat onze uitgeverijen produceren soms Nederlandser dan het Noord-Nederlands…

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s