Om de brug te slaan naar het weekend recyclet De Standaard vandaag een oude column van Mia Doornaert over het verband tussen Vlaamse autonomie en tussentaal. Tot de columniste zich zal opwinden over de NMBS-campagne voor de blue bikes (hieronder) houden we het dan maar bij Kurt van Eeghems bedenkingen over Vlaamse identitaaait:

Al dat goede werk kreeg een vervolg in ‘het veld’ wanneer de overal opduikende ‘ABN-kernen’ in parochiezalen allerhande het verenigingsleven tot meer taalkundige eenheid dwongen. Niets heeft het opgeleverd. Of toch bijna niets want de Vlaming kan blijkbaar wel ondertitels lezen en begrijpen – nergens ter wereld worden zoveel programma’s in de eigen taal ondertiteld – maar zodra een Brusselaar met een Bruggeling praat is het afgelopen met ‘het begrijpen’ en net zo vergaat het inwoners van Maaseik en Deinze of van en Bilzen. Het lukt niet, de gemeenschappelijke taal slaat niet aan. We hebben bovendien onze dialecten verwaarloosd. De onzorgvuldigheid waarmee we praten heeft ervoor gezorgd dat we twee talen, het eigen dialect en de gemeenschapstaal, zijn kwijtgeraakt. In ruil kregen we het ‘verkavelingsvlaams’, een tegen beiden aanschurkend gebrabbel dat in elke stad anders klinkt.


Als dit koeterwaals tegen alle redelijke verwachtingen in te weinig ergernis zou verwekken, dan hangen in de buurt nog wel enkele fraaie exemplaren met daarop Kim Clijsters en een slogan in een nog uit te vinden soort pidgin:

Het mag heus van de Taalunie: het woord ‘sceptisch’ zonder k-klank formuleren. Het pleit dan ook voor de journalisten van de VRT dat ze van de hun toegestane bewegingsvrijheid optimaal gebruik maken om komisch effect te sorteren. Zo viel gisteren zowel in het journaal als in Ter Zake te vernemen dat Bart De Wever septisch blijft over de slaagkansen van de nieuwe formateur. In de vervolgens vertoonde reportage beende de N-VA-voorzitter met een bedrukt gezicht een meute journalisten voorbij om het kleinste kamertje binnen te glippen. Hoe septisch kan een reportage aanvangen? En dit is nog maar het begin!  Want de aanwezige journalisten laten zich niet in de wind zetten en wachten voor het gemak tot De Wever enige verlossing heeft kunnen genieten. Met een onfeilbaar gevoel voor timing en goede smaak durft een door de manke usurpator niet herkende journalist het hierop nog aan om De Wever te confronteren met de vraag of hij zich niet “gejost voelt door het paleis”. Een dosis sepsis is zijn deel. De Wever:

“Het woord jossen is volgens mij tussentaal die niet tot de Nederlandse spraak behoort. Ik ga daar niet op antwoorden.”

En gelukkig is er nog  Verkavelingsvlaams. Tot nader order het laatste dossier waarover in Nederlandstalig België nog enige eensgezindheid bestaat. Die durft zich bovendien uit te strekken van extreemrechts tot extreemlinks, van belgicist tot flamingant, van would be komsopoliet tot must be tuinkabouter. Toch kan een gewezen Vlaams Blok-politicus  het nog ‘merkwaardig’ vinden dat ‘uitgesproken Belgicisten’ als Geert van Istendael, Benno Barnard en Mia Doornaert even stokstijf als hijzelf in het gelid staan tegen de manke usurpator.Dit hoeft echter niet ‘merkwaardig’ te heten. Of je het ideologische project van de moderniteit genegen bent, of juist een van elk moderne smet gevrijwaarde traditie meent te kunnen koesteren: de angst voor het halfgeslacht en de bastaard regeert. Het zou met andere woorden heus geen inspanning kosten om niet het halve, maar het hele Vlaamse politiek veld met Auschwitz te associëren. Maar simplismen van liberale denktanks zijn er al genoeg.


“Hoe zelfstandiger Vlaanderen geworden is, hoe meer onze taal verloederde, ook op de openbare omroep; hoe boerser de meeste van onze politici en politicae gekleed gingen; hoe groter het wantrouwen werd tegen elegantie en wellevendheid die als ‘elitair’ gingen gebrandmerkt worden.” Mia Doornaert, ‘Arm Vlaanderen’ (in De Standaard, 30 november 2007)

“[Door eeuwenlange verdrukking] gaven de Belgen den moed op, de volksgeest verging en van dit oogenblik werd het mogelyk hen door allen vreemden invloed van hun eigenaerdig karakter te doen afwyken. Dit geschiedde ook, men leerde fransch, niet slechts om eene uitheemsche tael te kennen, maer om eene weerde, die het vlaemsch nu niet meer geven kon, te verkrygen; men liet de kleeding der vaderen daer, om den vreemden in alles na te apen, men zwoer de ernstige en ware beleefdheid af, om zich aen de bedriegende politesse en de gemaekte houding der Franschen over te geven.”

Hendrik Conscience, De Leeuw van Vlaenderen (1838)

En voorts: “[N]u we het daar toch over hebben: wat moeten we aan met dat koeterwaals en verkavelingsvlaams, om nog maar te zwijgen over die West-Vlaamse keelklanken? Tot de N-VA eenduidig heeft vastgesteld wat we precies onder ‘het Vlaams’ dienen te verstaan, lijkt het verstandig ons kind bij de logopedist toch alvast van de ergste spraakgebreken van ruraal Vlaanderen te verlossen. De logopedist vindt in ieder geval van wel.”

Ouwe koek, maar immer goed voor een radio-onderonsje: het culturele verschil tussen Vlamingen en Nederlanders. De laatsten stonden hier ooit bekend als Noorderbroeders, stamverwanten en vuile Hollanders (al naargelang), maar tegenwoordig, zo lijkt het toch, heten ze steeds vaker gewoon de inwoners van een land dat zich uitstrekt ten noorden van Wuustwezel. De almaar Vlaamser klinkende, tot Belg genaturaliseerde Nederlander en auteur Marc Reugebrink vond tijdig de Reyerslaan, het ‘jajen seuventig’-Nederlands van Piet Piryns infiltreert de studio per telefoon.

Zelfs de doven ontbreekt het dus aan zin voor kosmopolitisme. Want nee, zij gebaren niet van pool tot evenaar in Esperanto. In De Standaard vandaag:

“In tegenstelling tot wat vaak gedacht wordt, bestaat er geen universele gebarentaal. Gebarentalen verschillen van land tot  land, en van streek tot streek. Zo is het gebaar voor ‘klein’ anders in West-Vlaanderen dan in Antwerpen. Ook het Vlaamse en Waalse gebaar voor dat woord verschillen van elkaar.”

Wat is dat toch met de mensheid en haar verslaving aan provincialisering? Gelukkig schijnt er verbetering in zicht. De Federatie van Vlaamse Dovenorganisaties (Fevlado) legt uit:

“Doordat doven de laatste decennia meer onderling contact hebben, is er een spontante standaardisatie op gang gekomen. De regionale rijkdom zou bewaard moeten blijven, maar anderzijds is het belangrijk om een standaardvariant te hebben die in het onderwijs of de media kan worden gebruikt.”

En op het eind lijkt Fevlado zich helemaal te ontpoppen als Taalunie voor gehoorgestoorden: “We hebben er in Vlaanderen al in de jaren negentig voor gekozen om die standaard spontaan te laten ontstaan, en hem niet op te leggen of kunstmatig te creëren.” Met het oog op een volgend bericht gaat De Manke Usurpator alvast op zoek naar de gebaren voor de legendarische Verkavelingsvlaamse vraag: ‘hoe noemde gij?’.

Het werd al opgemerkt dat Siegfried Bracke na diens Blijde Intrede het VRT-Nederlands verruilde voor een wellicht wat volkser bedoelde Vlaamse tongval. Maar vandaag gaat de zelfverklaarde orangist helemaal voor de travestie! Op zijn blog beschrijft hij hoe een argeloze Gentse politieagent hem thuis heeft lastiggevallen om zijn onderbroekencollectie te controleren. Dat geschiedde in het raam van een nogal obscuur inburgeringstraject waar De Manke Usurpator voor het overige liever niets meer van zou vernemen. Met des te meer belangstelling echter sloeg hij gade hoe ‘gij’ nu ook in Brackes schriftelijke ontboezemingen infiltreert:

“Mijn god! Hoe durven ze! Hoe chagrijnig kunt ge zijn!”

Mopperde Walter Zinzen vorige week nog dat Vlamingen geen keurig Nederlands begrijpen, dan mag Vlaams Parlementslid Wilfried Vandaele (N-VA) vandaag hier en hier verklaren dat Verkavelingsvlaams al net zo min verstaanbaar blijkt. Citaat:

[D]at tussentaaltje dat we horen oprukken, dat is nergens goed voor en ik merk ook dat veel mensen het niet begrijpen.

De Manke Usurpator verkeerde in de waan dat de Vlaming slechts aan een ongeneeslijke vorm van onmondigheid leed, maar debiliteit in de derde graad blijkt dus een accuratere diagnose.  Het is nu wachten tot Mia Doornaert en Benno Barnard de overtreffende trap zullen beproeven. De eerste door te verklaren dat Vlaanderen bevolkt wordt door tuinkabouters die niet eens hun eigen echo kunnen begrijpen. De tweede door iets te noteren over Vlaamse boeren, scheten en opborrelende misverstanden.

In tegenstelling tot ‘dat tussentaaltje’ mogen dialecten zich intussen blijven warmen aan liefkozende belangstelling. De VRT hoort van de N-VA weliswaar een ‘helder standaardnederlands’ te gebruiken en te promoten, ‘ook in het fictie-aanbod’, maar dialecten hebben  toch ‘hun plaats’. Sterker nog: volgens Wilfried Vandaele kan dialect ‘bijvoorbeeld in de reeks De ronde […] functioneel zijn’. Of het taalgebruik van de personages die niet Dieter De Leus heten, dan eveneens functioneel mag heten, blijft een beetje onhelder.

Overigens zou N-VA zichzelf niet wezen als de partij haar idealen niet met middenstandersretoriek zou kunnen verzoenen. Zo weet Vandaele: “Algemeen Nederlands kan onze programma’s ook beter verkoopbaar maken in Nederland.” Maar natuurlijk! En dan zwijgen we nog van de afzetmogelijkheden in Suriname! Gouden tijden lonken voor de openbare omroep. En met deze gelukszwangere noot kunnen we uit de ether.

De aftiteling heeft nog in petto: een verwijzing naar deze Vrije Tribune van Jürgen Jaspers op de Knack-website en een woord van dank voor de attente reacties op ons vorige bericht (zonder zou de Manke Usurpator beslist enkele sprokkels hebben gemist).

Maar goed dat het internet geen limieten kent. Het is tegenwoordig namelijk nogal dringen om meningen over taal langs de digitale snelweg op de publieke ruimte los te laten.  Sinds enige tijd wordt hier bijvoorbeeld geestdriftig gepoogd om meer respect af te dwingen voor het Belgisch-Nederlands. Zo geestdriftig dat de echo’s zich tot hier hebben voortgeplant en zelfs verder nagalmen in de gedrukte Knack van deze week. Bizar genoeg wordt De Manke Usurpator door deze strijders van het Algemeen Belgisch de mantel uitgeveegd en ondergebracht in het rijtje tussentaalhaters. Zo staat er (link-loos) te lezen:

In october 2010 organiseert het taalkundig department van de Universiteit Antwerpen een conferentie over het Verkavelingsvlaams. Voor hetzelfde geld had men een positieve conferentie over het Belgisch Nederlands kunnen organizeren. Maar, nee, het is blijkbaar typerend voor een bepaald taalonderzoek in België en voor bepaalde opiniemakers dat men liever de doorsnee Vlaming blijft vertellen hoe slecht hij wel spreekt (dat eeuwige Verkavelingsvlaams, die vréééselijke tussentaal!), dan dat er een conferentie zou zijn waarin de rijkdom en diversiteit van het Belgisch Nederlands (met alle “barbarismen”) gevierd wordt.

Onsympathiek vindt de Manke Usurpator het BELNED-initiatief niet, maar zijn gebrek aan zelfrespect kent nog grenzen. Zich op één lijn te zien geplaatst met Geert van Istendael en Marc Reynebeau grieft hem bijvoorbeeld diep. Laat dit de consensus zijn: begrijpend lezen blijft ook in meerstemmige contexten een onmisbare vaardigheid. Om de onzinnigheid van het hierboven aangehaalde citaat te demonstreren een passage uit een eerder verschenen post:

Na tweehonderd jaar taalstrijd gonst het in de Vlaamse publieke ruimte nog altijd van de kaakslagen en het hoogverraad. Intussen regeert krampachtigheid en is het enige wat kennelijk nog altijd niet vanzelf mag spreken het Vlaamse volk, de Vlaamse burger, de gewone Vlaming, de Nederlandstalige Belg, om over nieuwe Belgen nog maar te zwijgen. Om deze ironie te thematiseren, bedachten we een prijs ter aanmoediging van de strijd tegen het Verkavelingsvlaams. Niet omdat wij vinden dat die strijd nog aanmoediging behoeft, maar om op een speelse manier te laten zien hoe krampachtig Vlaanderen omgaat met culturele verschillen en taalvariatie. Ook en misschien wel vooral als die variatie zich van binnenuit manifesteert en zo de homogeniteit van Vlaanderen ter discussie stelt.

Door diverse nominaties toe te kennen konden we laten zien hoe verspreid de weerzin voor Vlaamse tussentaal is. Van het Belgicistische discours van Mia Doornaert, via de links-culturele belgitude van Marc Reynebeau  tot het rechtse flamingantisme van Bart De Wever. Bien étonnés de se trouver ensemble, zouden deze genomineerden gedacht kunnen hebben. Maar in het licht van de geschiedenis verschimt die verbazing. De strijd voor het Algemene Nederlands is namelijk van meet af aan verkocht met een complexe mengeling van kosmopolitische argumenten en etnisch nationalistische. Maar welke idealen men ook voor ogen had: de standaardtaal zoals die in de Noordelijke Nederlanden tot stand was gekomen, zat altijd in het basispakket. De neerlandistiek heeft zich bovendien vaak geleend voor diverse cultuurpolitieke projecten en gaf ze door haar wetenschappelijke aura extra glans en geloofwaardigheid.

Toch is onze Manke Usurpator niet bedacht om af te rekenen met dit verleden. Enkele bijbedenkingen daargelaten hebben wij voor het idealisme van generaties van volksverheffers en taalemancipatoren de grootste bewondering. Bovendien zijn wij ervan overtuigd dat de meeste stemmen die zich tegen vertussentaling verheffen, door goede bedoelingen worden aangejaagd. Ze vrezen dat we zonder het Algemeen Nederlands gedoemd zijn tot culturele minderwaardigheid. Of ze denken dat taalverloedering de voorbode is van een algehele teloorgang van normen en zeden. Hoewel wij niet geloven in die taalverloedering, en hoewel wij het verband tussen taal en morele deugdzaamheid discutabel durven te noemen, willen wij ieders zorgen ernstig nemen.

Te onthouden is vooral dat een ironisch register in Vlaanderen kennelijk nooit zonder risico’s is, zeker niet als het – o ironie – over taal gaat. Zo heeft de Manke Usurpator uit goede bron vernomen dat ook Bart De Wever zich geen raad wist met zijn nominatie voor De Manke Usurpator: was dit nu ernstig bedoeld of niet? Dat twijfels toeslaan zelfs bij de politicus die er volgens menigeen in is geslaagd flamingantisme met ironie  te verzoenen, mag een aanwijzing heten dat ironie hier haar eigen staart in de muil heeft genomen. Daar moeten lessen uit worden getrokken.

Het hieronder gesignaleerde stuk van Peter Vantyghem heeft de lippen los gemaakt. Maandag reageerde Walter Zinzen in De Standaard met een ‘brief van de dag’, dinsdag boog DS-taalspecialist Ludo Permentier zich over de kwestie en vandaag riposteert Etienne Vermeersch enkele van de door Zinzen aan zijn adres gemaakte beschuldigingen. (De bijdrage van Zinzen is onvindbaar op de website van De Standaard, maar is wel integraal hier te lezen.)

Boeiend allemaal, maar verwacht geen stortvloed van inzichten. Bijvoorbeeld Zinzen: “Hoe vaak gebeurt het dat anderstaligen, die een cursus keurig Nederlands hebben gevolgd, onbegrijpend worden aangestaard door Vlamingen, die zelf geen Nederlands kennen?” Hoezo? Die Vlamingen zitten ‘s avonds onbegrijpend te staren naar het VRT-journaal? Of Vermeersch: “Ik ben eveneens [net als Zinzen, dmu] diep beschaamd dat het Algemeen Nederlands, waarvoor wij sinds de jaren ’50 van de vorige eeuw in ABN-kernen gestreden hebben, het in allerlei contexten, zelfs in het theater, moet afleggen tegen een (veelal onzuiver) dialect aan de ene kant en een “wete-gij”-Vlaams aan de andere.” Ook de vrijzinnigste Vlaam kent nog wat van geschaam. Arm Vlaanderen weeral revisited? En welke voorstelling moeten we ons tijdens het schamen maken van onzuivere dialecten? Dan maar Hugo Claus:

“Ah, het gebroed wil op zwanen gelijken
en hoe kraakt van ellende de tongspier in hun borst
als het woordgebruik niet allerzuiverst is
gegarandeerd,
(onoverwinnelijke zuiverheid: een kazerne,
zwanen eten faecaliën)”

Gelukkig mag er ook gelachen worden. Zinzen omschreef de professionele taalzuiveraar P.C. Paardekooper als ‘wijlen professor’. De professor ging zo deel uitmaken van het selecte clubje voortijdig dood verklaarden, gesticht door de alle definities van taaiheid overtreffende Koningin Fabiola en onlangs uitgebreid met Eddy Wally.  Daags nadien volgde in De Standaard de rechtzetting: “P.C. Paardekooper, geboren in 1920, is niet meer van de jongsten, maar hij is ook niet ‘wijlen’.”

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.